Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
--- 113 —
men. Strijkt men langzaam met den vinger over den steen f
dan voelt men, dat hij onelfenheden heeft; het zwavelstokje
stoot tegen de uitstekende deelen, wrijft zich daartegen, en
door deze wrijving wordt warmte verwekt.
Analoge verschijnselen. Men neme eene boor, of eene zaag)
in de hand, terstond nadat zij gebruikt zijn, en men zal door
hare hitte verrast zijn; bij de raderen van een wagen wordt
door smeren de wrijving tusschen het rad en de as verhin'
derd; zijn de raderen niet gesmeerd, dan kunnen zij bij het
snelle rijden ligt in brand geraken; molensteenen kunnen
brand veroorzaken, als zij geen koren meer te malen hebben j
maar tegen elkander aanwrijven. Zoo wrijven wij in den
winter ook de handen in elkander, om ze te verwarmen.
Wet. Door wrijven ontstaat warmte.
Phoef 31. (Warmtegeleiders.)
a. Eene brandende spirituslamp wordt onder een drie-
voetje gezet en daarop een dun metaalblik gelegd. Vervol-
gens neemt men eene breinaald en een houten staafje, dat
even lang en dik is als de breinsmld. Beide worden met
hun uiteinde op het heete metaalblik gelegd; het andere einde
moet wat hooger liggen, en op een plankje rusten. Daar,
waar de Jjreinaald en het hout op het blik-liggen, zullen zij
nagenoeg even warm worden, daar zij gelijke warmte van
het metaal ontvangen. Neemt men zo echter bij het andere
uiteinde aan, dan bevindt men, dat de naald warmer is. De
warmte heeft zich van het warme gedeelte der naald af schie-
lijk aan de naastbij liggende deelen medegedeeld, en zich
weldra over de geheele naald verspreid; bij het hout ge-
schiedt deze mededeeling der warmte van het eene deeltje aan
het andere moeijelijker en langzamer; het metaal geleidt de
warmte gemakkelijk van het eene uiteinde tot het andere,
metaal is een goede warmtegeleider, hout een slechte.
b. Men houde het eene uiteinde van eene breinaald in de
vlam der spirituslamp, het zal gloeijend worden, en men zal
de naald om de hitte moeten loslaten. Omwindt men echter
het eene uiteinde der naald eenige malen met papier of bind-
garen, en houdt men de naald daaraan vast, dan zal men ze,
8