Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 112 — .
kompas: de magneetnaald en de windroos. Men behoeft nu
nog maar de magneetnaald midden op de windroos te plaat-
sen, en deze laatste zoo lang te verschuiven, tot het met N
geteekende punt van den cirkel een weinig oostelijk van het
noordelijke uiteinde der naald komt te liggen: de windroos
wijst dan de hemelstreken aan voor de plaats, waar men zich
bevindt. Tot gemakkelijker vervoer, wordt de geheele toe-
stel in een kastje met een glazen deksel besloten.
Proef 29. (De aantrelckingshracht van een magneet.) Bezit
men eene niet ai te kleine magneetnaald (of, nog beter, een
magnetisch staal, of een magneet - staafje, zooals men die bij
■ een geliefd speelgoed, de zoogenaamde magnetische vischjes,
vindt), dan kan men daaraan, behalve de eigenschap van naar
het noorden te wijzen, nog eene tweede waarnemen. Brengt
men namelijk kleine spijkers, of stukjes ijzerdraad, in hare
nabijheid, zoo trekt zij die voornamelijk aan de beide uitein-
den aan, en als men ze opligt, blijven zij er aan hangen.
Iedere magneet trekt ijzer aan; en staal, dat deze eigenschap
heeft, noemt men magnetisch.
Proef 30. (Warmte door wrijving.)
a. Wij bedienen ons van het staal tot vuur slaan. Men
neemt een vuursteen en een staal, en slaat ze tegen elkander;
er vertoonen zich vonken, die er af vliegen. Men heeft schie-
lijk en met groote hevigheid het staal langs den steen gesla-
gen; de steen is zeer hard, en de aan een staal door veel-
vuldig gebruik ontstaande slijting bewijst, dat van het staal
iets wordt afgeslagen. De afvliegende vonken zijn dus stuk-
jes staal, die door de wrijving aanmerkelijk verhit zijn.
b. Een strijkzwayelstokje worde langs eene gladde opper-
vlakte, bijv. langs een glad geschaafde plank, niet al te sterk
gestreken; het zal niet in brand geraken, daar er geene ge-
noegzame wrijving is. Het is over de gladde oppervlakte
heengegleden, zonder ergens te worden tegengehouden, even-
als een wagen, die op een gebaanden weg zonder hindernis
voortrolt. Neemt men echter een tigchelsteen, en strijkt men
het zwavelstokje daar langs, dan zal hot gemakkelijk ontvlam-