Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 111 — .
beelde de zon. Terwijl men den bol den dagboog der zon
van het oosten naar het westen laat afleggen, kan men ge-
makkelijk aanschouwelijk maken, hoe de schaduw van een
loodregten stok des morgens naar het westen, op den mid-
dag naar het noorden, en 's avonds naar het oosten gerigt
moet zijn, en hoe men dus bijv. door middel van de scha-
duw van een boom gemakkelijk op de drie opgenoemde tijd-
stippen van den dag de hemelstreken vinden kan. Dit mid-
del zoude ons echter bij duister weder geheel in den steek
laten; daarentegen bezitten wij in de magneetnaald een toe-
stel, waarmede men op eiken tijd zonder moeite de hemel-
streken kan bepalen.
Peoef 28. (De magneetnaald.) Men vertoont den kinde-
ren eene magneetnaald; zij zien de loodregte stift, waarop
zij rust, in het midden der naald het koperen hoedje, waar-
mede zij op de stift gelegd wordt, en zien, dat zij zich zoo
ligt beweegt, dat zij reeds in schommeling geraakt door de
beweging van de lucht, die men met de hand, of met een
boek, doet ontstaan. Maar al schommelt de naald ook nog
zoo, eindelijk komt zij tot eenen bepaalden stand terug; en
men kan uit de ligging der gebouwen, vooral van de kerk,
wier toren in het westen staat, ligt opmaken, dat zij naar
het noorden, of, naauwkeuriger, naar het noord - noordwes-
ten, gerigt is.
"VVijst de magneetnaald ons ééne hemelstreek aan, dan kost
het geene moeite, de andere te bepalen. Te dien einde tee-
kent men op papier eenen cirkel, wiens middellijn men even
groot neemt als de magneetnaald lang is. Vervolgens tee-
kent men 'twee middellijnen van dien cirkel, die elkander
regthoekig snijden, en schrijft bij de punten, waar deze den
omtrek ontmoeten, de eerste letters der vier hoofdstreken,
N., O., Z. en W. Midden tusschen elke twee van deze pun-
ten schrijve men vervolgens de namen Noord-Oost, Zuid-
Oost, Zuid-West en Noord-West. Deze roosvormige tee-
kening, waarmede men ook de rigting der winden kan aan-
wijzen, draagt den naam van windroos.
Aldus heeft men dan de twee hoofdbestanddeelen van een