Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 108 — .
men een bal aan den rand van het blad, dan vallen de van
dezen (de opgaande zon) uitgaande stralen zeer schuins, zoo
als 's morgens. Hoe hooger men echter den bal plaatst, des
te minder schuins vallen de lichtstralen op de tafel; op den
middag heeft hij den hoogsten stand, die het meest tot den
loodregten nadert; des avonds is hij weder tot aan den rand
van de tafel gedaald.
2.) Men beweegt den bal boven de tafel zoodanig, dat
de afgelegde weg eerst den dagboog der zon op eenen zo-
merdag voorstelt. De boog ligt naar het zuiden toe schuins
ten opzigte van het tafelblad, is grooter dan een halve cir-
kel, en bereikt daarom eene aanzienhjke hoogte. Vervolgens
late men den bal den weg der zon op eenen winterdag be-
schrijven; de boog ligt thans schuins naar het zuiden toe,
is veel kleiner dan een halve cirkel, en bereikt slechts eene
geringe hoogte. Geeft men daarop acht, waar de zon op
den middag van beide dagen staat, dan volgt hieruit gemak-
kelijk, dat zij ons van haar hooger standpunt op den mid-
dag van eenen zomerdag hare stralen meer loodregt toezendt.
Voorts bevindt men, dat, daar de dagboog in den zomer
langer is, hare stralen dan ook gedurende een' längeren tijd
verwarmend werken, dan in den winter.
Peoef 25. (Het brandglas.) Men toont den kinderen een
gewoon brandglas; zij bemerken weldra, dat het aan beide
kanten bol geslepen is, en vermoeden, dat het daarom eene
andere werking zal uitoefenen dan het glas van onze ven-
sters, waarbij zij geene werking op de zonnestralen bemerkt
hebben. Houdt men nu het brandglas loodregt tegen de zon-
nestralen , en digt daarachter een stuk zwart papier, dan
gaan de stralen door het ronde glas, en op het papier ver-
toont zich een heldere kring. Verwijdert men dan het pa-
pier steeds verder van het glas, dan wordt de heldere kring
klaarblijkelijk kleiner, en het glas vertoont de eigenschap,
van de invallende zonnestralen in eene kleinere ruimte za-
men te brengen. Waar de werking van zoo vele zonnestra-
len in een punt vereenigd is, moet de warmte grooter zijn.
Daarom begint het papier te rooken cn te branden.