Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
JVei. Bij de gewone temperatuur van de luclit verdampen
de drupvormige vloeistoffen (d. i. de bovenste lagen gaan
langzamerhand in damp over).
l>. Men laat eenige druppels acther op den rug van de
hand vallen, of maakt er zich het voorhoofd mede nat; op
de natgemaakte plaatsen zal men een gevoel van koude heb-
ben. Tot verdamping van den aether is steeds warmte noo-
dig, en deze moet door de hand of het voorhoofd afgegeven
of verloren worden.
Analoge verschijnselen zijn de frissche koelte na eene regenbui,
na het besprenkelen der straten, na het baden, de verkoud-
heid, die men zich ligt door natte kleederen op den hals haalt,
de koelvaten voor wijn, het vochtig koude weder. Al deze
verschijnselen leiden ons tot de
Wet, dat bij elke verdamping koude ontstaat.
Pkoef 22. (Nevel en wolken.) In een aarden of metalen
pot brenge men door eene spirituslamp water aan het koken.
Een gedeelte van het water zal verdampen. Beschouwt men
echter don opstijgenden waterdamp digt boven de oppervlakte
van het water, dan merkt men dien doorgaans niet; zoolang
namelijk de waterdamp zijne warmte behoudt, is hij volko-
men onzigtbaar en doorschijnend. Daarom kan de lucht de
groote hoeveelheden damp, die uit rivieren en zeeën opstijgt,
bevatten, zonder dat wij dien met de oogen waarnemen.
Maar hoe verder zich de opstijgende damp van de opper-
vlakte van het water verwijdert, dos te meer verliest hij aan
de lucht van zijne warmte; hij koelt zich wat af, en vormt nu
in de gedaante van witte wolkjes den zoogenaamdcn wasem,
die uit kleine holle, aan zeepbellen gelijke waterblaasjes be-
staat.
Volkomen hetzelfde als deze wasem is niet alleen de door
ons uitgeademde waterdamp, die in het koude jaargetijde
zigtbaar wordt, maar zijn ook in het groot de nevel en de wol-
ken. Uit zeeën en rivieren, als ook uit moerassigen grond,
stijgen waterdampen op; is nu de lucht kouder dan het ver-
dampte water, dan worden de dampen in do lucht afgekoeld
en vormen den nevel. Worden de opstijgende dampen eerst