Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 97 — .
naar mate hij langer is, en de last digter bij het steunpunt
is gelegen.
Proef 12. (De zwaartekracht en het water.) Men maakt
eene houten lat van vier palm lang, vier duim breed en even
zoo dik, en holt die aan den bovenkant over de geheele lengte
uit. Dit gootje wordt in een hellenden stand geplaatst, even
als het hellend vlak in de Proef. Legt men nu een knik-
ker er in, dan rolt deze er af, voortgetrokken door do
zwaartekracht. Giet men eehter in plaats daarvan water bo-
ven in het gootje, dan stroomt dit er langs naar beneden,
en valt op den grond; de laatste waterdeeltjes echter vallen
als druppels neêr. De vergelijking hiervan met hetgeen met
het vaste ligchaam bij deze proef geschiedt, leert, dat de deel-
tjes van het water met veel geringere kracht aaneenhangen;
het glijdt niet als eene zamenhangende massa naar beneden,
maar de waterdeeltjes scheiden zich en verplaatsen elkander
daarbij, en vormen, als zij vrij vallen, druppels. Bovendien
vulde het stroomende water het gootje; zijne gedaante rigtte
zich naar de ruimte, waarin het bevat was. Hieruit volgt
als eigenaardige eigenschap van drupvormig vloeibare ligcha-
men, dat zij den vorm aannemen van het vat, waarin zij
zich bevinden; dat hunne deeltjes gemakkelijk van een ge-
scheiden en verplaatst worden, en bij het vallen eene bol-
vormige gedaante hebben (druppels vormen).
Analoge verschijnselen met dit naar beneden stroomen zijn
het afloopen van het regenwater van de daken, en de bewe-
ging van alle stroomend water. Het verval van eene rivier,
de watermolens. Dauwdruppels, regendruppels, tranen.
Proef 13. (De horizontale stand van de oppervlakte van het
water.) In een wijd drinkglas schenke men water; de vloei-
stof is in het begin in onrustige beweging; maar weldra gaan
de hoogere deeltjes, onder den invloed van de zwaartekracht,
naar de laagte, de vloeistof komt tot rust, en hare opper-
vlakte wordt horizontaal. Neemt men nu het glas en houdt
men het schuins, dan ziet men de watermassa aan die zijde
van het glas, welke men hooger houdt, naar beneden gaan,
7