Boekgegevens
Titel: De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Auteur: Crüger, F.E.J.; Steyn Parvé, Daniel Jan
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1136 E 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203454
Onderwerp: Natuurkunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurkunde in de volksschool: eene bijdrage tot de methodische behandeling van het eerste onderwijs in de natuurkunde, tevens als leiddraad tot het doen van de eenvoudigste physische proeven
Vorige scan Volgende scanScanned page
— S6 —
Pkoef 11. (Be eenarmige hefboom.) Bij het opligten van
groote lasten gebruikt men gewoonlijk inrigtingen, die niets
anders dan hcfboomen zijn; maar deze zijn dan meestal niet
in het midden, maar aan het uiteinde ondersteund. Zulk een
hefboom heeft dus, in plaats van twee, slechts éénen arm.
Hoe werkt zulk een hefboom? Neem ik de reeds gebruikte
liniaal zoo tusschen twee vingers der linkerhand, dat zij ge-
makkelijk naar boven en naar beneden kan draaijen; leg ik
dan een pond op het andere uiteinde en ligt dit met de reg-
terhand op; dan heeft deze, behalve het gewigt van de li-
niaal, nog een pond op te ligten. Schuif ik echter het ge-
wigt steeds digter en digter naar het steunpunt, dan voel
ik, dat er al minder en minder kracht noodig is, om het ia
de hoogte te ligten.
Op deze wijze is de proef zuiver subjectief, daar zij slechts
aanschouwelijk is voor hem, die ze doet. Door het gebruik
van de katrol wordt zij meer objectief. Men plaatst op
eene plank twee eenige duimen hooge latten, en boort bo-
ven in elke een gat, waardoor men gemakkelijk oen dun
horizontaal staafje of pennetje kan steken. Aan dit staafje
maakt men het eene uiteinde van de liniaal vast, die den
oenarmigen hefboom voorstelt. Digt bij het andere uiteinde
wordt eene hoogere lat geplaatst, cn daaraan eene katrol, die
gemakkelijk ronddraait, vastgemaakt. Dan binde men een
touw aan het vrije eind van den hefboom, brenge dit over de
katrol, en binde aan het andere uiteinde van het touw een ge-
wigt, dat zoo zwaar is, dat de hefboom eenen horizontalen
stand aanneemt. Deze horizontale stand zal niet verande-
ren, als men aan het neerhangende touw en aan het vrije
uiteinde van den hefboom gelijke gewigten bevestigt. Schuift
men echter het gewigt aan den hefboom digter naar het
steunpunt toe, dan zal het met den hefboom opgeligt worden.
Analoge verschijnselen. Op welke plaats van een krniwagen
legt men den last, als men het zoo gemakkelijk mogelijk hebben
wil? Op welke wijze kan men met een breekijzer het meest
uitrigten? en dergelijke. (Roeiriem, tabaksmes, sleutel, boor,
stemhamer.)
Wet. De eenarmige hefboom vordert des te minder kracht.