Boekgegevens
Titel: Nieuwe theorie van het dubbel boekhouden, hoofdzakelijk in betrekking tot den handel, critisch ingeleid, met toelichtende voorbeelden, en aanschouwelijke voorstellingen van de grondbeginselen van verantwoordelijkheid en evenwicht
Auteur: Brenkman, N.
Uitgave: 'sGravenhage: Joh. IJkema, 1882
'sHage: Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2221
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203452
Onderwerp: Bedrijfskunde, organisatiekunde, arbeidswetenschappen: accounting
Trefwoord: Boekhouden
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe theorie van het dubbel boekhouden, hoofdzakelijk in betrekking tot den handel, critisch ingeleid, met toelichtende voorbeelden, en aanschouwelijke voorstellingen van de grondbeginselen van verantwoordelijkheid en evenwicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
if
12
staat eene wisselschuld. Eene tenietgaande bezitting moge al
geiyk in waarde z^jn aan eene ontstane schuld, ze zijn daarom
nog niet aan elkander gelijk in wezen.
Eene andere onjuistheid, schijnbaar nietig, omdat zij
weinig af- of toedoet aan de practijk, maar die inderdaad van
groot belang is voor een juist begrip der gronden, meen ik
niet onvermeld te moeten laten.
Bijna eenstemmig geeft men namelijk van de wederkeerige
betrekking der rekeningen in een journaalpost, eene ver-
keerde verklaring. De debiteur zou schuldig worden aan den
crediteur en omgekeerd. Niets is evenwel minder juist. Stel
bijv. dat de zaak Z door X eene betaling laat doen aan Y, dan
zou volgens bedoelde bewering Y debet worden aan X
en omgekeerd X credit van Y, en hieruit volgen, dat door de
zaak Z boek werd gehouden niet van haar eigen vorderingen
en schulden, maar van die van twee andere personen Y en X
(derden) onderling.
Een ander voorbeeld:
De zaak Z verkoopt goederen aan den persoon Y, nu zou
Y debet worden aan Goederen. Men zegt terecht, dat de Goe-
derenrekening een onderdeel uitmaakt der rekeningen van
„den koopman" of, zooals ik het noem, van „de zaak"; hier
zouden dus derden (Y) tegenover de zaak (Goederen) staan,
terwijl in het voorgaande geval derden zouden staan tegen-
over derden. Men plaatst zich zoodoende op tweeërlei stand-
punt; er ontbreekt éénheid in het beginsel. Maar ook,
indien de bewering juist ware, dat de debiteur schuldig werd
aan den crediteur en omgekeerd, dan zou er uit moeten volgen,
dat de debiteur zijne schuld met denzelfden crediteur had te
vereffenen, en daar iedereen de niet-noodzakelijkheid hiervan
zal inzien, moet hieruit reeds genoegzaam de onjuistheid
der bewering blijken.
Ik ontken, dat de rekeningen debent- en credunt worden
aan elkander, maar stel: dat zij debent en credunt worden