Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 78 —
de andere zoo lang totdat de wijzer of evenaar in het
huisje is, of totdat er evenwigt ontstaat. Daarna hrenge
men het ligchaam uit de eene schaal in de andere over, en
doe hetzelfde met de gewigtstukken; is er dan nog even-
wigt , dan is de balans goed, dat is, dan zijn de beide
armen A C en B C even lang. Slaat de balans daarentegen
bij deze tweede weging door, dan is de arm die doorslaat,
langer dan de andere; en het evenwigt, bij de eerste we-
ging verkregen, kon alleen het gevolg zijn van de omstan-
digheid, dat men aan den kortsten arm een grooter last
had gehangen. Komt nu bij de tweede weging die grootere
last in de schaal, die aan den längsten arm hangt, dan is
het duidelijk, dat hij niet langer evenwigt kan maken met
den kleiner last, die nu aan den kortsten arm hangt.
Ook met eene valsche balans kan men intusschen naauw-
keurig wegen, als men zich maar de moeite wil getroosten,
eene dubbele weging te doen. Men legt dan het te wegen
ligchaam in de eene schaal, en men vult de andere schaal
met allerlei andere ligchamen aan , onverschillig welke, met
steentjes en zand bijv., totdat er evenwigt is. Vervolgens
neemt men het ligchaam uit de eerste schaal, en legt daar
zoo veel gewigtstukken voor in de plaats als juist noodig
zijn om den evenaar op nieuws in het huisje te brengen.
Daar hier_ligohaam en gewigtstukken achtervolgens aan den-
zelfden arm komen te hangen, en met dezelfde voorwerpen
evenwigt maken, moeten zij noodzakelijk even zwaar zijn,
zonder dat het hier op de betrekkelijke lengte der armen
aankomt. Zoo doende is men in staat om met elke ruwe
zelfvervaardigde balans, al zijn de armen van ongelijke
lengte, toch naauwkeurige wegingen te verrigten.
Er bestaan ook weegtoestellen, waarbij de armen met
Fis- opzet ongelijk van lengte vervaardigd zijn
\ 1 1 2 s 1 . ('Fig. 4); men noemt ze unsters. De
ci langer arm B L is zoo veel dunner
dan de korter A C , dat hij met dezen ,
waaraan somtijds nog een schaaltje L
hangt, evenwigt maakt. Voorts is hij
van het steunpunt C afin lengten C 1, 1-2, 2-3, 3-4, enz.
afgedeeld, elke gelijk aan die van den korteren A C. Plaatst