Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 96 —
liaar inet het overwigtje hier als zonder eigen gewigt mogen
aanmerken.
De gevonden evenredigheid leidt tot de oplossing van an-
dere vragen. Als wij bijv. een' stok in een bepaald punt
ondersteunen, daarbij door eenig gering overwigt zorg dra-
gende dat hij in rust komt, en wij nu aan het eene einde
een ligchaam van een bekend gewigt hangen: met hoeveel
gewigt zullen wij den stok dan wel aan 't andere einde moe-
ten belasten, om hem in evenwigt te houden? Laat den stok
i el lang zijn, aan het eene einde 14 pond gewigt hangen,
en het punt, dat ondersteund wordt, daarvan 3 palm ver-
wijderd zijn, dan bedragen de beide afstanden 3 en 7 palm,
de gewigten moeten dus tot elkander slaan als 7 tol 3-, en
er moet derhalve | van 14, of 6 pond aan 't andere einde
hangen. Daarbij zal het ondersleuningspunt met 14 -f- 6
of 20 pond kracht gedrukt worden, en derhalve even zoo
veel moeten kunnen dragen. Wierd de stok aan een koord
opgehangen, dan moest die koord sterk genoeg zijn, om
niet door 20 pond gewigt vaneengescheurd te worden.
Uit de gevonden evenredigheid volgt alverder, dat, als
wij een staaf aan een van hare punten ophangen en daarbij
wederom een klein overwigt, zoo noodig, doen dienen om
haar aanvankelijk in rust te brengen, als wij vervolgens
beide uiteinden met gewiglen bezwaren, en die gewigten
zoo afpassen, dat zij met elkander in evenwigt zijn, deze
tot elkander in verhouding zullen staan, omgekeerd als
hunne afstanden lot aan het ophangpunt. Is de staaf bijv.
5 palm lang, en opgehangen aan een punt, dat 2 palm
van het eene, en dus 3 palm van het andere einde ver-
wijderd is, dan zullen , bij evenwigt, de aangehangen ge-
wigten tot elkander in verhouding staan als 3 tot 2. Daarin
ligt opgesloten, dat als de staaf in het midden opgehangen
is, zij in evenwigt zijn zal, indien beide gewigten juist
even zwaar zijn.
III.
Weegschaal. Wegen.
Op de gronden in 't voorgaande ontwikkeld, steunt de
inrigting onzer gewone weegschalen of balansen. Eene ba-