Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— G8 -
neemt men in plaats van lood, ligchamen van andere stol',
waarop de belemmerende tegenstand der lucht geen of geen
noemenswaard verschil mag geacht worden op te leveren,
bijv. een stuk hout, een stuk ijzer of koper, een stuk krijt,
een' ivoren of beenen bal, en doet men dezelfde meting, dan
blijkt het, dat die alweder juist evenveel tijds besteden om
van gelijke hoogte neder te komen.
Is de gevonden regel algemeen, dan kunnen wij veilig
gebruik daarvan maken, bijv. om te weten te komen, hoe
diep ten naasten bij een put is. Wij laten daartoe in den put
een steentje of eenig ander ligchaam vallen, en wij meten
den tijd, die er verloopt eer wij het op den grond hooren
komen. Is dat 3 secunden, dan is de put 3 x 3 x 4.9
of 44.1 el diep. Het is intusschen niet wel mogelijk op
deze manier zeer naauwkeurig te meten, want daartoe zou
men den tijd, die er onder het vallen verloopt, met de ui-
terste juistheid moeten kunnen bepalen. Nemen wij bijv.
aan, dat er geen volle 3", maar slechts 2|" zijn verstreken,
dan vinden wij maar 2| X 2| x 4.9 of 37 el, dus voor
die i secunde reeds een verschil van 7 el.
Ten andere diende men ook te weten in hoever en op
wat wijze de tegenstand der lucht het steentje in zijn' val
vertraagt. Eindelijk zou men ook den tijd in rekening
moeten brengen, dien het geluid van den plof in de diepte
vereischt, om bóven ons gehoor te bereiken. Tot eene
ruwe schatting is echter het aangegeven middel geenszins
te verwerpen.
Wijders zal het ons nu niet onverklaarbaar meer zijn,
waarom een ligchaam, dat regt naar boven wordt opge-
worpen, eerst eenigen tijd rijst, en dan daalt; de ge-
vonden regel toch stelt ons in staat om de bijzonderhe-
den van dat opstijgen te voorzien. In dit geval ontvangt
het ligchaam bij het begin der beweging een' stoot, die
het, indien er geene andere kracht op werkte, regt naar
boven zou doen opklimmen met eene eenparige snelheid.
Onderstellen wij, dat die snelheid bedi'oeg 24i el, dan
zou het ligchaam aan het eind der Is'e sec. 24t el hoog
gestegen zijn, aan het eind der 2Je 2 x 24i = 49 el, aan het
eind der 3'Ie 3 x 24| = 73| el, enz. Maar zoodra het