Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 07 —
bewegend bgchaam in een bepaald tijdsdeel, bijv. in t-e'ne
secunde, doorloopt.
Laat men een ligchaam, een' looden kogel bijv., op eene
willekeurige hoogte boven den grond los, juist op 't oogen-
blik dat men een' lik van een uurwerk hoort, dan zal
men kunnen waarnemen, hoeveel tikken er verloopen, eer
men den slag van het ligchaam op den grond hoort. Of
wel men zal zich met het ligchaam juist zoo hoog boven
den grond kunnen plaatsen, dat het losgelaten, evenveel
tijd besteedt om beneden te komen, als er tusschen 2 of
3 of 4 tikken verloopt. Doet men dit, dan vindt men,
dat men het 4.9 el boven den grond moet loslaten, om hel
in eene secunde tijds beneden te doen komen. Gaat men nu
2 maal zoo hoog, en laat men den kogel weêr vallen, dan
vindt men niet, dat de weg van 9 el en 8 palm in twee-
maal zooveel tijd wordt afgelegd, maar in minder; het
blijkt dus reeds, dat het vallend ligchaam in^de tweede
secunde meer wegs aflegt dan in de eerste, dat de bewe-
ging versnelt. Laat men den kogel steeds van eene grootere
hoogte vallen, dan blijkt het eindelijk, dat men 4 x 4.9 el
of 19.G el hoog moet klimmen, om den kogel juist 2 se-
cunden te doen besteden. Verder neemt men waar, dat
slechts 3 secunden lijds noodig zijn om 3x3 X 4.9 of 44.1 el
door te vallen, waartoe men reeds een' toren zal moeten
beklimmen. In 4" valt de kogel van eene hoogte van 4x4
X 4.9 el of 78.4 el; in 5" van 5 X 5 x 4.9 of 122.5 el. Wij
zien hieruit, dat de vermeerdering van snelheid in elke vol-
gende secunde aan een' vasten regel onderwol-pen is. In de
1ste sec. bedraagt de doorgevallen ruimte 4.9 el, in de 1ste
en 2de te zamen 4 x 4.9, dus in de 2'lc sec. alléén 3x 4.9
of 14.7 el , in de 3de sec. 5 x 4.9 of 24.5 el, in de 4de sec.
7 X 4.9 of 34.3. Of die regel ook voor grootere hoogten
doorgaat, is waarschijnlijk, maar niet zeker, daar men het
niet onderzocht heeft, omdat er de gelegenheid toe ont-
breekt. Geen toren toch is daartoe hoog genoeg.
Gaat nu de gevonden regel ook voor andere ligchamen
door? Vallen alle ligchamen evensnel? Neemt men, om dit
te onderzoeken, looden kogels van verschillende grootte, dan
vindt men telkens evenveel wegs in evenveel tijds afgelegd;