Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 6B —
schouwelijk maken met het hgchaam digt bij het boveneinde
van 't peillood los te laten; men neemt dan waar, dat het
zich gedurende den ganschen vrijen val altijd even ver van
dat peillood blijft bevinden. Geven wij daarentegen aan
het ligchaam, op 't oogenblik dat wij het loslaten, een'
zijdelingschen stoot, dan gaat het met een' boog naar be-
neden ; het doorloopt dan een' kromlijnigen weg en een'
boog van verschillende kromming, naar mate de rigting,
waarin wij het den stoot geven, verschillend is, waterpas
of schuins, hetzij naar beneden of naar boven. Is het val-
lende ligchaam niet geheel vrij, dan is de rigting, waarin
het naar beneden gaat, anders. Leggen wij het op eene
helling, die zoo steil is, dat het van zelf daarvan afglijdt,
dan zien wij het eerst glijden totdat het aan den rand ge-
komen is, en dan een' boog beschrijven. Iets dergelijks
gebeurt er, als men het ligchaam van eene gladde , niet
hellende tafel, waar men het op gelegd heeft, met een' stoot
y^doet afvliegen. Alleen zal het dan bij den boogswijzen val
wat verder vooruit vallen, mits de vaart, waarmede het
den rand der tafel verlaat, juist even groot is als die, waar-
mede het dien der helling verliet, en als beide randen even
hoog verheven zijn boven den grond, waarop het ligchaam
ten laatste nederkomt. Nemen wij een' bal of knikker in de
hand, en geven wij dien schuins naar boven een' stoot, dan
zal de boog eerst opwaarts gaan en dan naar beneden; dit
gebeurt ook met een' geweer- of kanonskogel. Eindelijk
kunnen wij een' bal ook loodregl omhoog werpen; wij zien
hem dan eerst regt opstijgen lot eene zekere hoogte, en daarna
op zijn' zelfden weg terugkomen.
Ook vochten vallen even als vaste ligchamen. Men denke
maar aan den regen; is de wind stil, dan daalt elke drup-
pel regt naar beneden. Als wij in den bodem van een vat
met water eene loodregte opening maken, dan schiet de wa-
terstraal ook loodregl naar beneden. Is er daarentegen eene
zijdelingsche luit aan , dan spuit hel water er volgens een'
hooguit, die, als de tuil opwaarts gerigl is, zijn grootste
hoogte op eenigen afstand van de tuil heeft; de onder-
scheidene boogswijze uitslroomingen, bij verschil van stand
der tuil, kan ons een gewone fillreer-koflijkan vertoonen.
5