Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 51 -
^ansehen grond, \vaarn\ede deze een gelieel uitmaakte, be-
wegingen en verplaatsingen van deelen te doen ontstaan,
die echter wegens haar overgroot aantal ten eenemale on-
merkbaar zouden zijn. Dat zien wij echter nooit gebeuren,
als wij een ligchaam op een' steen laten vallen. Een bik-
kel bijv. springt weêr op, waarvan de reden in niets an-
ders dan in de veerkracht van bikkel en steen moet ge-
zocht worden. Immers de indrukken in beiden te weeg ge-
gebragt, ten gevolge van den schok, zijn niet blijvend-, als
veerkrachtige ligchamen herstellen zij zich, en de sneliieid
van den botsenden bikkel wordt hem voor een deel terug-
gegeven. Des te volkomener zal de terugkaatsing zijn, naar
mate de veerkracht aanzienlijker is. Ivoor is een zeer veer-
krachtig ligchaam: vandaar, dat op een zuiver biljart, met
banden die behoorlijk veèren, de bal die regt op den
band afgestooten wordt, bijna met dezelfde snelheid te-
rugkomt. Het is de veerkracht van het gespannen touw,
waarop de koordedanser zijne kunsten verrigt, die maakt
dat het, na door 's mans gewigt doorgebogen te zijn ge-
weest, weèr opspringt en hem alzoo helpt om zich hoo-
ger op te geven, dan hij anders zou vermogen te doen.
Diezelfde eigenschap roept de paardrijder te hulp, als hij
hooge of verre sprongen wil doen, bijv. over één of meer
paarden. Hij neemt dan een' kleinen aanloop en valt met
geheel het gewigt van zijn ligchaam op een plank, die in
het midden niet ondersteund is, opdat de veering dier plank
hem grooter vaart geve, en hem over de daar vlak' achter
geplaatste voorwerpen heen helpe.
De genoemde bewegingen van touw en plank leveren nog
iets opmerkelijks op, dat onze aandacht niet mag ontgaan.
Wanneer men een lang touw regtuit spant, en met den
kant van een liniaal even tegen het midden stoot, dan
wijkt het touw uit ten gevolge van dien stoot; het neemt
eene bogt aan, waarbij tevens uitrekking plaats heeft. Want
het is duidelijk, dat het nu langer is, dan toen het nog in
eene regte lijn gespannen was. Onmiddellijk daarna zien
wij het touw tot dien regten stand terugkeeren, omdat het
veerkrachtig is. Maar daar blijft het niet eens bij: wij
zien het vervolgens naar den tegenovergestelden kant uil-