Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 50 —
is hel, dat genoemde drie ligciiamen alle vast geworden
kleverige vloeistoffen, en dus in zooverre van eenerlei
aard zijn.
Minder in 't oog vallend is liet lerugkeeren tot den vo-
rigen toestand, als een ligchaam enkel in de lengte is uit-
gerekt geworden, zonder dat men het heeft gebogen. De
veêrkrachlige gom maakt in dat opzigt eene uitzondering.
Nemen wij echter het gewigt, waarmede een metaaldraad
bijv. bezwaard en gespannen is geworden, weêr weg, dan
kan men toch wel zien, dat hij wat inkrimpt; hij zal zelfs
juist tol zijne vorige lengte terugkomen, mits maar de vroe-
gere uilrekking niet overmatig was. Zoo zal ook omgekeerd
een ligchaam, na door een' sterken druk geperst te zijn ge-
worden , zich daarna weêr uitzetten en zijne vroegere lengte
herkrijgen. Het sterkste voorbeeld daarvan levert de spons,
die men geheel in de hand besluiten en van allen kant za-
mendrukken kan, zonder dat zij daarna het minst aan uit-
gebreidheid blijkt vei'loren te hebben.
Wringt of draait men een ligchaam ineen, zoo zien wij
dat het zich wederom herstelt, zoodra men het weêr aan
zich zelf overlaat. Duidelijk en veelvuldig nemen wij zulks
waar als wij te vergeefs met duim en voorsten vinger een
flesch of kruik trachten te ontkurken. Ook ontwringt zich
iedere draad dien wij ineendraaijen, weêr van zeiven.
Dat alles begrijpen wij onder den naam van -veerkracht.
In 't algemeen bedoelen wij daarmede de eigenschap der
ligchamen , om , na eenigerhande verandering van vorm ,
door uitwendig vermogen te weeg gebragt, hetzij buiging,
rekking, persing of wringing, hunne aanvankelijke grootte
en gedaante te hernemen, zoodra de aangewende kracht
heeft opgehouden te werken.
In die veêrkracht der ligchamen is de grond gelegen van
't geen men terugkaatsen noemt. Bijaldien eens een geheel
onveêrkrachtige bal van eene zekere hoogte loodregt op eene
geheel onveêrkrachtige plaat viel, die volmaakt waterpas lag,
zoo zou hij onmiddellijk na de botsing onbewegelijk stil
blijven liggen. De kracht, die zich in den bal onder het
vallen als verzameld had, de zoogenaamde hoeveelheid van
beweging, zou zich hebben uitgeput met in de plaat en den