Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 4/ —
de vorm van het ligchaam, waartoe zij behooren, gewij-
zigd. Hout bezit die buigzaamheid in sterke mate, dat is,
het kan eene groote verplaatsing van sommige zijner deelen
om andere ondergaan, zonder dat de zamenhang er on-
der lijdt. Eene dunne plank kan zeer sterk krom gebo-
gen worden, zonder te breken. Houten balken doen
het zelfs bij eene aanmerkelijke dikte •, zoo als wij, bij de
balken waarop in de woonhuizen de vloeren en zolders
rusten, dikwerf waarnemen. Ook vele andere ligchamen
hebben die eigenschap. Metalen staven en platen buigen
zeer gemakkelijk door-, en metaaldraad heeft den naam van
draad juist daarom ontvangen, omdat het even als draden
van wol, van vlas, van zijde, eene zeer groote buigzaam-
heid bezit. Minder buigzaam is been en ivoor, steen nog
minder-, eene dunne marmeren plaat intusschen buigt reeds
door haar eigen gewigt door, wanneer zij in het midden
ondersteund wordt. Bij dikkere en niet lange ligchamen is
de buigzaamheid minder merkbaar. Er is intusschen een
middel, om te onderzoeken of stoffen, waarvan men zich
geen dunne draden of platen kan verschaffen, o»k van vorm
kunnen veranderen. Men maakt er een paar ballen van,
die zuiver rond zijn, men besmeert den eenen met het een of
ander vet, dat zigtbaar afgeeft, en laat er den anderen,
dien men zuiver gehouden heeft, tegen aanvallen: de moet,
die de laatste dan vertoont, heeft te groote uitgestrektheid,
dan dat de aanraking zich tot een enkel punt zou bepaald
hebben, en dat er geen indrukking, dus geen beweging
van deelen om andere heen, zou hebben plaats gegrepen.
Buigt men een ligchaam, dan komen altijd sommige
deelen verder van elkander, andere digter bijeen. Wordt
een balk in het midden ondersteund, dan buigt zij zóó door,
dat de bovenkant langer, de onderkant korter wordt, ter-
wijl er tusschen beiden een lijn ligt, die, ofschoon ook krom
gebogen, evenwel hare lengte behouden heeft. Naauwkeu-
rige metingen kunnen ons gemakkelijk daarvan overtuigen.
Buiging is dus een zamengesteld verschijnsel, waarbij cn
verlenging èn verkorting plaats vindt. Beiden kunnen ech-
ter ook afzonderlijk bestaan. Hangen wij een' metaaldraad
aan zijn eene uiteinde op, en aan het ondereind een schaal-