Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 45 -
dere of' mindere mate plaats vindt, naar gelang de ijlheid
der steenen, waaruit de muur is opgemetseld, kleiner of
grooter is. Zijn de tusschenruimten tusschen de deelen van
den steen zeer wijd, dan zal, even als in een wijd pijpje,
het water niet hoog opstijgen; zijn zij naauwer, dan gaat
het hooger. Wil men het op deze wijze vochtig worden
der muren. Lekend onder den naam van uitslaan, belet-
ten , dan moet men tusschen den grond en de onderste laag
steenen een ligchaam brengen, dat geen water doorlaat,
bijv. lood of cement.
Ook lucht wordt door andere ligchamen opgezogen. Als
men water verhit, komen er luchtbellen te voorschijn. Door
koking zal men bijkans al de lucht het water uit kun-
nen drijven, zoodat versch gekookt water er nagenoeg van
bevrijd is; maar laat men het eenigen tijd open en bloot
staan, zoo dringt er weder lucht in. Zelfs heeft men be-
vonden dat alle vaste ligchamen lucht houden, de digtste
metalen niet uitgezonderd; men behoeft deze maar met een
laagje water te overgieten, en dan te verwarmen, om er
de lucht uit te voorschijn te zien komen.
De aantrekking tusschen de deelen van een vast ligchaam
en die van een vocht is dikwijls zóó sterk, dat de indrin-
gende waterdeelen den zamenhang der vaste deelen overwin-
nen , en dat deze uiteengaan; dat dus het ligchaam ophoudt
een vast ligchaam te zijn. Dit gebeurt bijv. wanneer wij
een' klomp suiker of een stuk zout in water leggen. Men
zegt dan, dat de suiker of het zout opgelost wordt.
In andere gevallen daarentegen doet die aantrekking verre
onder voor de aantrekking der vloeistofdeeltjes op elkander.
Ofschoon bijv. een baksteen, een brok hardsteen of mar-
mer op water gelegd, terstond zinkt, gelijk een ieder weet,
zoo blijven die ligchamen, tot fijn poeder gestampt, er op
drijven. En niet alleen steenpoeder, maar ook kleine deel-
tjes metaal, die nog veel zwaarder dan water zijn, zoo als
ijzervijlsel, kan men gemakkelijk op water laten drijven.
Neemt men eene naainaald, die niet te dik is, bijv. N". 5
of een hooger nommer, en legt men die met drooge vingers
voorzigtig op water, dan ziet men een deuk in het water
ontstaan; maar de naald blijft daarin liggen en valt niet op