Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 44 —
gaat liet water van zelf daarin naar boven, en de spons
wordt nat •, wij zeggen dan, dat de spons het, water op-
zuigt. Hetzelfde heeft plaats, wanneer men een' draad ka-
toen of wol in water hangt. Is het water in een glas, en
hatigt men den draad over den rand van het glas naar
beneden, dan ziet men het water in den draad opklimmen,
in het overhangende deel zijn' weg vervolgen en er onder we-
der uitdruppelen, en dat gaat voort, totdat het glas wa-
ter geheel leêg geloopen is. Ook andere vochten worden
aldus opgezogen. Dagelijks maken wij van die eigenschap
gebruik in de lampen met katoenen pitten, waar de olie
uit de lamp, door middel van de pit, gedurig aangevoerd
wordt naar de vlam, om daar te verbranden-, even zoo
wordt bij eene gewone vet- of waskaars, het vet of het
was, na alvorens door de hitte gesmolten te zijn, door de
pit opgezogen, en dus daarheen gevoerd waar de verbran-
ding geschiedt. Valt een druppel vocht op een linnen ta-
fellaken, dan zien wij spoedig dat vocht zich over een groot
gedeelte van het linnen uitbreiden. Laten wij eenige drup-
pelen water op een' hoop droogen tabak vallen, dan is
het niet noodig, dien om te schudden, ten einde het vocht
door de geheele hoeveelheid te verdeelen. Maakt men een'
baksteen aan de eene zijde nat, dan dringt het vocht van
zelf door den steen heen.
Nog belangrijker is een dergelijk verschijnsel in een'
lossen grond. Niet alleen dringt het water, dat als regen
neder valt, tusschen de deelen van den grond naar beneden;
maar ook omgekeerd wanneer de bovengrond, na langdu-
rige hitte, droog geworden is, stijgt het water uit diepere
lagen door dat vermogen naar boven, en voert voedsel toe
aan die planten, wier wortels wat dieper in den grond
gaan, en die alzoo blijven doorgroeijen; terwijl de planten,
wier wortels niet zoo diep gaan, in den droogen bovengrond
het noodige voedsel blijven missen, en verkwijnen als er
niet spoedig regen komt.
Even zoo als het vocht uit den ondergrond naar de hoogere
aardlagen opstijgt, klimt het ook uit den grond in voorwer-
pen , die boven op den grond staan en die openingen hebben.
Vandaar het vochtig worden van muren , hetgeen in meer-