Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 40 —
steken, een deukje of kuiltje maken dat eenigen tijd blijft,
en eerst langzaam verdwijnt.
Diezelfde kracht die de deelen van een ligchaam bij elk-
ander houdt, is ook de oorzaak, dat deelen, die op een'
afstand van elkander zijn, weder digter bijeenkomen. Bij
de vaste ligchamen zien wij dat, als wij een ligchaam uit-
gerekt hebben en het daarna loslaten, het krimpt dan van zelf
weder in; de deelen gaan naar elkander toe , zonder dat
wij ze door drukking digter bijeenbrengen. Yele vaste lig-
chamen verkeeren, zoo als wij later zien zullen, in dat ge-
val. Bij de vochten zien wij dat ook, en wel bij die stoffen
welke wij half vloeibare noemden. Wanneer men siroop met
een' dunnen straal laat uitloopen, ziet men , als die straal
wat dik wordt en het onderdeel zich afscheidt en naar bene-
den valt, het bovendeel naar boven opkrimpen, en zich weder
zamentrekken tot een' veel korteren draad of langwerpigen
druppel; de deelen zijn daarbij digter bij elkander gekomen.
Een verschijnsel van gelijken aard is het volgende. Wanneer
men op een verglaasd bord of schoteltje een weinig water
uitwrijft, dan ziet men dat water dikwerf, zoo als wij zeg-
gen, optrekken; d. i. de waterdeelen, die ineen dun laagje
verspreid waren, vereenigen zich tot een laagje van min-
der omvang, maar van meer dikte. Ook dat kan aan geen an-
dere oorzaak worden toegeschreven dan aan eene kracht,
die de waterdeelen als 't ware naar elkander toe trekt.
Dat digter bijeenkomen der deelen, dat van zelf inkrim-
pen gebeurt intusschen bepaaldelijk, wanneer de onderlinge
afstanden der deelen altoos uiterst gering blijven. Als wij
een stuk hout doorsnijden, en de twee stukjes op een' af-
stand van ^ streep naast elkander leggen, zien wij ze niet
naar elkander toegaan , en dat heeft geen plaats al liggen zij
op een zeer glad oppervlak, waar zij gemakkelijk overheen
kunnen glijden. Ook al hangen wij ze naast elkander ie-
der aan een' draad op, zoodat zij weêr zeer digt bij elkander
komen, dan gebeurt het evenmin. Zelfs al mogten wij de
deelen weder op elkander leggen , oogenschijnlijk juist zoo
als zij te voren hebben vastgezeten, dan zouden zij zich toch
niet weder tot een geheel vereenigen, ofschoon hun afstand
nu nog veel kleiner dan ^ streep is; die zeer kleine afstand