Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 38 —
alle, ook de stevigste, ten laatste loslaten; dat het daartoe
noodige gewigt verschillend is, naar mate van den aard
van 't ligchaam; dat dus de kracht van zamenhang, hij
verschillende ligchamen, niet even groot is. Veel ge-
wigt is noodig Lij ijzer, minder Lij koper, nog weer min-
der Lij hout; zeer weinig zamenhang hebben klei, was en
dergelijke. Hoe grooter de zamenhang is, des te meer kracht
moeten wij ook bezigen, om de deelen op de eene of an-
dere wijze vaneen te scheiden, om een ligchaam door te
snijden, of in stukken te hakken, of in tweeën te zagen.
Welk een verschil is er niet tusschen de kracht die noodig
is om een stuk gerookt rundvleesch, of spek; om een
brood, of een' even grooten klomp boter door te snij-
den! Bij vloeistoffen is daar geen voelbare kracht toe noo-
dig; evenwel ook bij de vloeistoffen vinden wij, dat de
deelen nog eenigen merkbaren, hoewel niet grooten zamen-
liang hebben. Nemen wij eene balans, aan welker eenen
arm een schaal hangt, en aan den anderen een plaat, en
brengen wij schaal en plaat in evenwigt, door aan een van
beide zijden zooveel gewigt op te leggen als daartoe noodig
is; plaatsen wij dan daaronder eene kom met water, die
wij vullen totdat Let water van onderen de plaat aanraakt,
en leggen wij vervolgens kleine gewigtstukjes op de schaal,
dan zal deze, ondanks dat zij nu zwaarder is dan de plaat,
niet doorslaan, de plaat blijft blijkbaar als aan het water
kleven. Maar gaat men nu voort met gewigtjes op de schaal
te leggen, dan zal eindelijk de schaal doorslaan en de plaat
van het water losraken. Men zal echter tevens waarne-
men, dat aan de plaat eene laag vocht is blijven hangen,
en dat dus het overwigt dat in de schaal gelegd werd, niet
de plaat van het water, maar water van water heeft los-
gerukt.
Dat de vochtdeelen elkander met eene, al is het dan
ook niet groote kracht vasthouden, blijkt mede uit het ont-
staan van druppels. Wanneer onder aan een pijpje een
druppel blijft hangen, dan kunnen wij dien druppel in
onze voorstelling in een onderste en bovenste deel verdee-
len, en vragen: waarom Llijft dat onderdeel aan het an-
der hangen? waarom valt het niet naar Leneden zoo als