Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 37 —
mei vele andere belangrijke zaken in een naauw verband
staat.
Een ligchaam gaat niet van zelf naar boven, maar in te-
gendeel, wanneer hel door niets ondersteund, en ook niet
vastgehouden wordt, gaat het naar beneden, of valt het. Als
wij dus hel bovendeel van een ligchaam opligten, en daar-
bij tegelijk het onderdeel zien naar boven gaan, dan moet
er eene oorzaak zijn, eene kracht, die opdat onderdeel
werkt; en dal er die inderdaad is, blijkt, wanneer wij in
elke hand een der deelen van hel ligchaam nemen en ze
van elkander trachten te scheiden. Wij worden dan ge-
waar, dal er kracht toe noodig is; er moet dus wederkee-
rig eene kracht in hel ligchaam zijn, die de deelen aan elk-
ander verbindt en die overwonnen moet worden door de
grootere kracht, welke de hand uitoefent; die kracht, welke
een ligchaam vast doet zijn, noemt men kracht van za-
menhang.
De kracht onzer handen is groot genoeg, om een' dunnen
katoenen draad door trekken in tweeën te scheiden, een zeer
dun touwtje insgelijks; neemt men daarentegen koord, dan
gaal hel reeds moeijelijker, en een dik touw vordert daartoe
eene nog veel grooter kracht, 't geen ons niet kan bevreem-
den, want er moeten hier veel meer deelen van elkander
gescheiden worden. De kracht ook die vereischt wordt,
is zew verschillend, naar mate men vele deelen tegelijk,
of het een na het ander wil losmaken, waarvan men zich
klaar kan overtuigen, met bijv. een blad papier óf te verscheu-
ren , óf uiteen le trekken. Ten einde de kracht, die noo-
dig is om een touw vaneen le trekken, van nader bij te
leeren kennen, kan men het aan een' haak bevestigen, en
er dan al meer en meer gewigt aan hangen. Hoe dikker
hel touw is, des le meer zal hel kunnen houden. Gaal
men voort met er meer gewigl aan te hangen, dan zal ein-
delijk hel louw breken. Nemen wij nu in plaats van
een dik louw eene ronde houten staaf van gelijke dikte, en
hangen wij daar ook gewigl aan, dan zal ook daar hetzelfde
gebeuren, maar het noodige gewigt zal grooter of kleiner zijn
dan bij het touw. Doen wij dezelfde proef bij allerlei ligcha-
men, en nemen wij altijd gelijke dikten , dan vinden wij dat