Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 35 —
sommige. verfstoffen een treffend bewijs op. Een stukje
indigo, dat niet meer weegt dan wigtje, is in staat
aan 10 kannen of ponden, dat is aan 10000 wigtjes
water een zeer merkbare blaauwe tint mede te deelen. Één
wigtje water nu neemt geen kleiner plaats in dan een ge-
wone duims-dobbelsteen; men zal zich dus die hoeveel-
heid gemakkelijk gescheiden kunnen verbeelden in 1000
deelen, en ziedaar dan wigtje indigo verdeeld in 10
millioenen deeltjes.
De reuk doet ons die deelbaarheid nog veel verder er-
kennen. Een klein stukje muskus in een ruim vertrek geeft
er jaren achtereen een' eigenaardigen geur aan, die zeer merk-
baar blijft in weerwil van veelvuldige luchtverversching,
en niettegenstaande er van het stukje haast niet afgaat, daar
het gewigt bijkans hetzelfde blijft.
Maar als wij, met behulp van sterke vergrootingen, door-
dringen in de wereld van levende wezens die een' enkelen
O
druppel stilstaand water bewonen, ontwaren wij diertjes,
zoo bovenmate klein, dat wij twijfelen of een nog aan-
zienlijker vergrooting er ons welligt niet nog kleinere zou
laten ontdekken, die nu onzen blik ten eenemale ontgaan.
En onder degene die wij nog even waarnemen, zijn er van
eene hoogst zamengestelde bewerktuiging. Onze verbeelding
duizelt en verliest zich, als wij ons een begrip trachten te ma-
ken van de onvergelijkelijke fijnheid en vloeibaarheid der
vochten, die hunne ligchaampjes doorloopen-, van de ka-
naaltjes, die ze doorlaten; van de vliesjes, die wederom het
inwendige dier vaatjes bekleeden. Dan moeten wij de hoop
wel opgeven, van immer met onze zintuigen de uiterste
stofdeelen te kunnen bereiken, die voor geen verdere ver-
deeling meer vatbaar zijn; die, zelve geen ligchamen, de
bestanddeelen zijn der ligchamen. Die uiterste stofdeelen
kan men zich niet meer met poricn denken, zij moeten
volkomen digt zijn; want waren er nog holten of openin-
gen in voorhanden, dan bestond nog altijd de mogelijkheid
in onze voorstelling om ze vaneen te scheuren, en dus
op nieuws te verdeelen.