Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 34 —
ling oplevert-, de deelen, nu millioenste deelen, zouden
door elkander iets kleiner dan dobbelsteentjes of teerlingen
zijn van ^ streep hoogte, breedte en dikte.
Merkwaardig is de deelbaarheid van metaal. Trekt men
een rond zilveren staafje, dat vooraf verguld is, waartoe men
niet meer goud gebezigd heeft dan een stukje van de grootte
eens gewonen dobbelsteens, met kracht door eene opening,
die een weinig kleiner is dan de dikte van het staafje, dan
verandert het in een dunner en langer staafje. Gaat men
hiermede voort, terwijl men steeds naauwere openingen
neemt, dan heeft men gevonden, dat men op die wijze
eindelijk een' draad kan verkrijgen, altijd nog van verguld
zilver, ter lengte van wel 400000 ellen. Die draad kan zóó
geplet worden, dat zij een lint oplevert van genoegzame
breedte om eene verdeeling toe te laten in weer vier smallere
reepen. Die reepen kan men gemakkelijk knippen in eindjes
van ^ streep, welke eindjes of plaatjes dan twee gouden
oppervlakten vertoonen, waartusschen zich zilver bevindt.
De mogelijkheid is hieruit gebleken, om een stukje goud,
niet grooter dan een' gewonen dobbelsteen, in 32000 milli-
oenen deeltjes te verdeelen.
Wanneer men een zeer fijn poeder op een glaasje strooit,
waarop ter wijdte van een streep lijntjes zijn gesneden,
dan kan men met behulp van een vergrootglas gemakke-
lijk over zulk eene wijdte 100 poederkorreltjes naast elkan-
der tellen-, waaruit wij mogen afleiden, dat een vierkante
streep er 40000 kan bevatten. Zulke kleine deelen zijn wij
gewoon stofjes te heeten, maar daaronder moeten wij ons
niet anders denken dan zeer kleine ligchaampjes. Want
wij hebben geen regt, om het er voor te houden, dat die
zoogenaamde stofjes, al vermogen wij ze met het bloote
oog naauwelijks te ontwaren, niet even goed holten en tus-
schenruimten zouden bevatten als grootere voorwerpen. Im-
mers wij zien bij de verdeeling, zoover als wij ons, door
bet vergrootglas en op velerlei andere manieren, kunnen
overtuigen dat die gaat, aan de deelbaarheid der ligcha-
men, ofschoon zij noodzakelijk wel ergens moet ophou-
den, nog volstrekt geen einde, en zullen dat waarschijnlijk
wel nimmer zien. Van ongemeene deelbaarheid leveren