Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 33 —
geheel zijn, uit naast elkander geplaatste wel onderscheid-
bare deeltjes, die in de eerste plaats onze aandacht ver-
dienen. Aan sommige ligchamen, gegoten ijzer bijv., on-
derscheiden wij korrels; aan gesmeed ijzer, vooral aan lei
die doorgebroken wordt, vinden wij op elkander liggende
plaatjes; hout vertoont vezels. Bij de zoogenaamde kris-
tallen hebben die deelen, wij merkten dat reeds vroeger
op, zelfs altijd een' eigenaardigen regelmatigen grondvorm.
Andere ligchamen daarentegen, glas bijv., doen op de
breuk geen dergelyke onderscheidbare deeltjes zien. Waar
zij zich echter opdoen, houde men ze geenszins voor de
uiterste of kleinste deelen, de eigenlijk gezegde stofdee-
len, waaruit een ligchaam bestaat. Dat deze zeer veel
fijner moeten zijn, blijkt als wij eens onderzoeken, in hoe
veel en in hoe kleine deelen men door kunst een ligchaam
wel verdeelen kan, met andere woorden, hoe ver de deel-
baarheid gaat.
Er zijn vele bewerkingen die het verdeelen len doel
hebben. Koffij en rijst worden fijngemalen; van hout komt
door zagen zaagsel; steen word-t fijn gestooten en gestampt;
het verfhout wordt geraspt; stoffen die reeds verdeeld zijn,
worden door wrijven in nog kleinere deelen verdeeld. Zien
wij nu , hoeveel kleine deelen men op eene van die ma-
nieren wel kan verkrijgen.
Nemen wij een stukje mahogany-hout dat 1 wigtje weegt,
en snijden wij dat aan kleine brokjes , dan is het niet moei-
jelijk het op die wijze in 1000 deelen te verdeelen; wa-
ren die deelen alle even'zwaar, dan zou elk deeltje maar
T^ wigtje wegen. Het valt daarbij ligt te berekenen, hoe
klein elk deeltje zijn kan , zoo wij aannemen dat zij alle van
gelijke grootte zijn. Want een duims-dobbelsteen van maho-
ganyhout wordt bevonden iets meer te wegen dan een wigtje,
zoodat een duizendste deel daarvan , dat is (vermits een cub.
duim 1000 cub. strepen houdt) een dobbelsteen van een
streep, iels meer zou wegen dan wigtje. Onze brokjes
zullen dus slechts weinig kleiner zijn dan een streep in 't
cubiek. Hadden wij derhalve het stukje hout, in plaats van
het te snijden, fijngeraspt, dan mogen wij het er voor hou-
den , dat het raspsel althans nog duizendmaal fijner verdee-
3