Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 31 —
kwik is gedompeld, dan slijgt het er allengs in op, en
druppelt eindelijk het andere uiteinde wéér uit.
Uit hetgeen wij van de, ook in vochten aanwezige, tusschen-
ruimten gezegd hebben, verklaren wij de volgende feiten : —
Werpt men in een lang smal glas, dat tot op zekere hoogte
met water gevuld is, een weinig broodsuiker, dan ziet men
eerst eenige luchtbellen oprijzen, die van poriën tusschen
de suikerdeelen getuigen. Zoodra dat nu heeft opgehouden,
lette men naauwkeurig op de hoogte van het water in 't
glas, en wachte voorts tot een goed deel der suiker, zoo
niet alles, is opgelost geworden ; men zal dan bespeuren,
dat het water iets lager staat, waarvan wij deze reden ge-
ven, dat suiker de bestaande tusschenruimten tusschen de
waterdeelen heeft ingenomen.
Vult men eene glazen buis op nagenoeg twee derde van
de lengte met water , giet men vervolgens voorzigtig alco-
hol of wijngeest daarop, en sluit men eindelijk de buis met
een kurkje of stopje, zoodat er bij omkeering of schudding
niets kan uitlekken, dan zal, na vermenging der beide vloei-
stoffen, de ruimte die zij innemen, merkbaar minder be-
vonden worden, dan die zij aanvankelijk te zamen besloe-
gen. Wij mogen het er voor houden, dat ook hier alco-
hol gedrongen is in de ruimten tusschen de waterdeelen, of
water in de ruimten tusschen de wijngeestdeelen, of dat het
een zoowel als hel ander heeft plaats gevonden.
Nemen wij een stuk steen van eene bepaalde grootte,
bijv. van een palm lang, hoog en breed, stampen wij dat tot
poeder, en schudden wij dat poeder in een bakje dat juist
ook een palm lang, breed en hoog is, dan worden wij
gewaar, dat het steenpoeder er niet in kan, dat het nu
meer ruimte noodig heeft dan vroeger. Dat wordt veroor-
zaakt , doordien er nu tusschen de steendeeltjes veel meer
ruimten zijn, dan toen zij vroeger tot een geheel verbon-
den waren, of dat er nu grootere tusschenruimten zijn dan
vroeger. Door op het poeder te drukken, kan men de dee-
len wat digter opeenpakken, en te weeg brengen, dat
zij kleiner ruimte innemen maar het zal niet geluk-
ken , de deelen weder zoo digt bijeen te brengen, als zij
waren toen zij als steen nog een geheel uitmaakten. De-