Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 30 —
meene eigenschap der ligchamen over: uitzethaarheid, dat
is, de vatbaarheid om, betzij door uitrekking of verwar-
ming, grooter ruimte te beslaan dan aanvankelijk. Ook dat
strekt ter bevestiging van het gestelde. Bijaldien toch de
stofdeelen van een ligchaam zonder tusschenruimten vlak
aan elkander sloten, zou de minste uitzetting van dat lig-
chaam de stofdeelen waaruit het is zamengesteld, van elk-
ander losmaken, en dus hun onderling verband noodzake-
lijk verbreken.
Dat eigenaardige nu van den bouw of het zamenstel der
ligchamen, dat de stofdeelen, waaruit zij bestaan, zich op
grooter of kleiner afstand van elkander bevinden, is men
gewoon poreus- of ijlheid te noemen. Alle ligchamen zijn
dus ijl, maar het eene meer, het andere minder.
Wij besluiten uit het aangevoerde, dat ook het indrin-
gen van water in ^steen een indringen in die tusschenruim-
ten is, zoodat het genoemde verschijnsel met de ondoor-
dringbaarheid der stof niet in strijd is.
Dat water of ander vocht door leér heendringt, kan ons
nu in 't minst niet bevi'eemden. Daarbij gebeurt toch niet
anders, dan wat er plaats heeft, als men water door linnen
of katoen heenperst-, het gaat door de openingen heen.
Wanneer wij in 't omgekeerde geval waarnemen, dat een
vocht door een ligchaam heengaat, zoo is ons dat een proef-
ondervindelijk bewijs, dat dat ligchaam kleine openingen
heeft, al kunnen wij ze niet zien. Dat blijkt bijv. van
palmhout, doordien wij met behulp van eene luchtpomp
zelfs kwik er doorheen kunnen drijven. Zoo heeft men ook
het bestaan van poriën in goud bewezen, doordien men
een' gouden bal die met water gevuld was, heeft ingedrukt,
ten gevolge waarvan zich op de oppervlakte wasem ver-
toonde. Trouwens een ieder weet, dat men een gouden
voorwerp niet met kwik in aanraking moet brengen, om-
dat dit er dadelijk indringt, zoodat het goud, zonder den
vorm op te offeren, er niet weêr van kan gezuiverd wor-
den; wederom een bewijs van poreusheid. Van het lood
blijkt die eigenschap op dezelfde wijze nog duidelijker. Als
men toch een staafje lood ombuigt, en over den rand van
een glas met kwik hangt, zoodat het eene uiteinde in het