Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 28 -
zich door geen opiilimmend waler laat verdringen, als men
er eene spons in brengt, die alsdan niet nat wordt, of een
kaarsje, dat nog eenigen tijd blijft branden. Daarop berust
de inrigting van de duikerklok en den duikerhelm.
Water en lucht zijn dus inderdaad, zoowel als hout en
steen en ijzer, van stoffelijken aard, want zij zijn uitge-
breid en bieden tegenstand.
IV.
Vervolg. Poreus- of IJlheid der Ligchamen.
Is water wezenlijk een ligchaam, en dringt water toch
in steen en andere ligchamen in, zoo moeten wij in de twee-
de plaats, ten einde na te gaan of ook die stoffen inderdaad
ondoordringbaar mogen genoemd worden, onderzoeken, of
er tusschenruimten voorhanden zijn.
In sommige ligchamen ziet ons oog dadelijk ontelbare klei-
nere of grootere openingen, zoo als bij spons, zwam, kurk,
puimsteen. Snijdt men een' houtslam of den stengel eener
plant dwars door, dan ontwaart men in die doorsnede eene
menigte openingen, zoodal, als men er een dun dwars schijfje
van neemt, men er geheel doorheen kan zien. Wij be-
grijpen dus klaar, hoe het vocht in de planten van het
eene deel naar het andere gaan kan. Andere ligchamen
vertoonen eerst openingen, wanneer men ze onder een ge-
noegzaam sterk vergrootglas brengt. Ook de menschelijke
huid heeft zulke openingen, en hierdoor geschiedt de uit-
waseming; haar aantal, bij een volwassen mensch, wordt
geschat op 2,270000, door elkander van eene grootte die
overdwars niet meer bedraagt dan ^ streep.
De oppervlakten der bladeren, vooral de onderste, ver-
toonen mede eene menigte openingen, die van haren eigen-
aardigen vorm en veranderlijke wijdte den naam van mond-
jes of mondingen hebben verkregen. Het blad van de ge-
wone sering onderscheidt zich hier bijzonder: de boven-
zijde vertoont niet van die openingen, men telt er daaren-
tegen van onderen niet minder dan ruim 200 over eene
uitgebreidheid van 1 vierkante streep.
In vele ligchamen vormen dus de stofdeelen geen volko-