Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 24 -
tusschen de lioutdeelen zijn, en wij Legrijpen, dat liet water
zich daarin plaatst. Maar Lovendien, de houtdeelen gaan
waarlijk uit den weg voor die van het water. Ieder weet,
dat hout, als het nat wordt, opzwelt, dat is, dat het meer
ruimte inneemt dan toen het droog was. Bij vochtig we-
der klemt eene houten deur, omdat zij breeder geworden
is, en dus niet meer past in het kozijn. Bij droogte, gaan
de vochtdeelen weêr uit het hout; dan krimpt het op nieuws,
de houtdeelen komen wéér digter bij elkander, en herne-
men hunne vorige plaats.
Bij steen evenwel kunnen wij niet altijd tusschenruimten
bemerken, en daar dringt water toch ook in. Dikwerf valt
dat reeds aan de kleurverandering van den steen te zien,
als hij nat wordt, wanneer het bijv. op een sloep of legen
een' paal regent. Doch hetblijktook op andere wijzen. Wan-
neer wij een droog stuk gebakken steen nemen , dat drie
oneen weegt, en wij laten er langzaam | lood water op drup-
pelen, zoo zal er niets van dat water afloopen, het is er dus
ingetrokken. Wegen wij nu den steen, zoo vinden wij hem
inderdaad | lood zwaarder geworden; verwarmen wij hem
dan sterk, zoo zien wij er het water weder als wasem uit
voor den dag komen. Dat er dus werkelijk water in de-
zelfde ruimte geweest is waarin de steen was, is zeker; maar
wat moeten wij nu hieruit besluiten? öf dat steen ook le-
dige tusschenruimten heeft, maar zóó klein, dat onze oogen
niet scherp genoeg zijn om ze te zien; óf dat steendeelen
niet ondoordringbaar zijn, en dat ondoordringbaarheid dus
geen eigenschap van alle stof is. Doch zou water wel een
ligchaam zijn? Wij zijn niet gewoon er dien naam aan te
geven, omdat de walerdeelen niet aan elkander vastzitten.
En als water geen ligchaam is, dan vervalt de zwarigheid
van zelve. Vóór wij dus verder gaan, dienen wij ons daar-
van wèl te overtuigen. Maar water heeft inderdaad die ei-
genschappen , welke wij hierboven aan een stoffelijk voor-
werp toekenden. Wij behoeven maar met de vlakke hand
tegen het water eene snelle beweging te maken om te voe-
len, dat het ook tegenstand biedt, dat het op onzen tast-
zin werkt even als hout en steen en metaal.
Dat water eene ruimte inneemt, zoodat geene andere stof-