Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 394 —
Vil.
De Zon slaat stil; de Aarde beweegt zich.
Wij zagen, dat Lij de dagelijksche Leweging alle hemel-
ligchamen in 24 m-en tijds een' kring rondom de aarde
Leschrijven. Wij weten nu, dat die kringen, voor zon en
maan althans, nagenoeg cirkels zijn, en dat wij ons die cirkels
zeer groot moeten voorstellen-, want de gevonden afstanden
van 30 aardmiddellijnen ^oor de maan, en van 12000 aard-
middellijnen voor de zon, zijn de afstanden van het mid-
delpunt tot aan de omtrekken, en die omtrekken zelve zijn
ruim malen zoo groot. De maan doorloopt dus elke 24
uren een' weg van meer dan G| X 30 of 188 aardmiddellij-
nen, dat is ruim 323000 geogr. mijlen-, zij moet daartoe in
elke seconde tijds niet minder dan 3| mijl doorloopen, dat
inderdaad eene verbazende snelheid is, want de snelste stoom-
wagen legt in een uur niet meer dan 7 mijlen wegs af. En
die snelheid is nog gering in vergelijking van die der zon;
want als men uitrekent hoe groot haar dagelijksche weg of
de omtrek van haren cirkel is, dan vindt men daarvoor
130,000000 geogr. mijlen, hetgeen voor elke seconde lijds
een' weg van niet minder dan 1500 mijlefi of ruim 11 niillioen
meters geeft; eene snelheid, die inderdaad al de ons bekende
snelheden zeer verre te boven gaat. Nemen wij nu hier-
bij in aanmerking, dal het ligchaam, hetwelk mei die ont-
zettende snelheid dagelijks om onze aarde zou loopen, 112 ma -
len grooter is dan die aarde, dat dus het veel grooter lig-
chaam om het veel kleiner rondloopt, dan komen wij er
als van zelf toe, om ons af te vragen, of dit alles wer-
kelijk wel zoo weien zou als het zich aan ons vertoont?
En waarlijk is er grond, ,om die vraag te doen. Wel
zien wij de zon, maan en sterren dagelijks om ons heen be^
wegen; maar wij meenen ook in andere gevallen bewegin-
gen le bespeuren, die toch inderdaad niet geschieden, bij
welke wij met zekerheid weten, dal niet die ligchamen,
maar dat wij zelve het_ zijn, die van plaats veranderen.
Vroeger reeds hebben wij voorbeelden van zoodanige schijn-
bare Leweging opgemerkt, en wij kunnen dus ook hier