Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 393 —
der zon 12000 malen zoo groot is als de middellijn der
aarde, zoodat, zie vroeger, een voetganger die dag en
nacht door ging, om dien afstand af te leggen, meer dan
31 eeuwen behoeven zou; een spoortrein, die een' spoed
had van bij de 9 uren in 't uur, zou er nog 350 jaren
toe noodig hebben; het geluid zou bij de 16 jaren verei-
schen, en het licht legt dien afstand werkelijk af in iets
meer dan minuut.
Op eene dergelijke wijze is men te weten gekomen, dat
de maan veel digter bij ons is, dat haar afstand maar 30
middellijnen der aarde bedraagt. De maan is dus 400 maal
digter bij de aarde dan de zon.
Zoodra men beider afstand kende, kon men nu ook hare
ware grootte gemakkelijk vinden. Dat die grootten veel
verschillen, blijkt daaruit, dat de twee hemelligchamen zich
schijnbaar even groot aan ons voordoen, in weerwil van de
zeer onderscheiden afstanden. Naauwkeurige metingen heb-
ben geleerd, dat de maan kleiner is dan de aarde; hare
middellijn bedraagt ^ van die der aarde; de zon daaren-
tegen heeft eene middellijn, die 112 malen die der aarde
overtreft. Om ons deze grootten en afstanden nog duidelijker
voor te stellen, kunnen wij ons van het volgende bedienen,
hetgeen uit de opgegeven getallen volgt. Als wij ons de aarde
in het middelpunt der zon geplaatst denken en de maan
zoo ver van haar af als zij werkelijk van ons verwijderd
is, dan zou deze nagenoeg ter helft tusschen het middel-
punt der zon en haar oppervlak gelegen zijn.
Op hoe verbazend een' afstand de zon ook van de aarde
geplaatst zijn moge, de vaste sterren zijn nog veel verder van
ons verwijderd. Dit volgt uit een paar welgeslaagde pogingen,
om van enkele, die betrekkelijk digter bij ons staan, den
afstand uit hoogst moeijelijke waarnemingen af te leiden.
De uitkomst, die men verkreeg voor eene ster ergens in 't
sterrenbeeld de Zwaan, was deze, dat het licht meer dan 10
jaren noodig zou hebben om den weg van haar tot de zon
af te leggen. Van zulke lengten kan men zich geen voor-
stelling meer maken.