Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 392 —
't midJelpunt Levinden, öf een langwerpig rond. Het
laatste nu is ook het geval Lij de maan-, maar zoowel Lij
haar als Lij de zon verschillen de loopbanen toch weinig
van een' cirkel. Want de kleinste middellijn der zonshaan,
die loodregt op de grootste staal, is minder dan korter
dan deze, zoodat dit op eene kleine schaal niet kan wor-
den voorgesteld, daar het op eene lengte van 7 ellen maar
ééne streep zou uitmaken. Voor de maan bedraagt dat ver-
schil nog gij, dat evenwel ook niet veel is, immers maar
ééne streep op ruim GO duimen.
Na een denkbeeld te hebben verkregen van de gedaante
der loopbanen van zon en maan, kunnen wij nu verder
gaan en vragen: op welk een' afstand zijn de hemelligcha-
men wel van ons verwijderd? En hoe groot moeten wij ze
ons wel voorstellen? Beide deze vragen nemen wij te za-
men, omdat ze in een naauw verband staan. Uit de
schijnbare grootte toch waaronder wij eenig voorwerp waar-
nemen, kan men, gelijk wij reeds aanmerkten, bijaldien
de werkelijke grootte gegeven is, den afstand opmaken,
maar ook omgekeerd, zoodra de afstand bekend is, de wer-
kelijke grootte berekenen.
Dat nu de afstanden waarop zon en maan van ons staan,
niet gering kunnen zijn, kunnen wij daaruit reeds besluiten,
dat wij de wolken er altijd voorbij en nooit achter om heen
zien drijven. Eene andere omstandigheid, die ons een' aan-
merkelijken afstand doet vermoeden is, dat als wij gaan, rij-
den of varen, zon en maan altijd met ons mede schijnen te
gaan, blijkbaar omdat zij zóó ver af zijn, dat het eind
weegs dat wij afleggen, geen merkbare verandering teweeg
Lrengt in de rigting waarin wij ze zien, dus in vergelijking
van den afsland waarop zij zich van ons bevinden als niets
te beschouwen is. Op hoe meer van elkander verwijderde
plaatsen op aarde nu de zon bijv. op een zelfde oogenblik
waargenomen wordt, des te meer kans beslaat er om een
rigtingsverschil te ontdekken, en lol eene schatting te ge-
raken van haren afsland, en zoo heeft men dan door naauw-
keurige melingen, waaromtrent wij hier niet in bijzonder-
heden kunnen treden, eene stellige uitkomst weten te ver-
krijgen. Men is thans zeker, dat de gemiddelde al'stand