Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3f>l -
maanden grooter en gedurende de overige zes maanden
kleiner wordt, zoodat, na verloop van een geheel jaar, de
schijnbare grootte wederom dezelfde geworden is als aan-
vankelijk. Het verschil tusschen den grootsten en kleinsten
gezigtshoek bedroeg omstreeks en uit deze metingen
volgt derhalve, dat bij de dagelijksche schijnbare omwente-
ling de zon zich inderdaad als in een' cirkel om ons heen
beweegt ; dat daarentegen bij de jaarlijksche beweging, de
zon niet altijd op denzelfden afstand van ons blijft. Een
van beiden moet dus het geval zijn. Zij beweegt zich in een'
cirkel, maar dan zijn wij althans niet in het middelpunt
daarvan geplaatst, of wel hare loopbaan is eene kromme lijn
van eene andere gedaante. Immers de afstand van ons oog tot
aan de zon, als zij zich het digtst bij ons bevindt,laat zich
nu vergelijkenderwijs berekenen en is omstreeks ^ kleiner
dan de verste afstand. Beide die plaatsen liggen vlak tegenover
elkander; de zon toch besteedt juist een half jaar om allengs
van den eenen stand tot den anderen over te gaan; de twee
helften der langwerpig ronde loopbaan, in wier middel-
punt wij ons echter evenmin bevinden, zijn dus gelijk van
vorm. Eindelijk dient hier nog vermeld te worden, dat
de zon zich in het digtst bij ons zijnde punt bevindt oj>
den Januarij, en in het verst af zijnde punt op den
Julij, waaruit wij in 't voorbijgaan kunnen zien, dat de
oorzaak van zomer en winter niet van hare meerdere ol
mindere nabijheid afhankelijk is.
De maan schijnt, even als de zon bij haar opkomen en
ondergaan, aanmerkelijk grooter, dan wanneer zij hoog in
't zuiden staat; maar de metingen hebben geleerd, dat
ook hier de schijn bedriegt; en zelfs is gebleken, dat zij
zich in 't oosten en 't westen inderdaad onder een' klei-
neren gezigtshoek vertoont dan in 't zuiden; zij beschrijft
bij gevolg geen' cirkel om ons heen bij hare dagelijksche om-
wenteling. Verder hebben de metingen geleerd, dat de
gezigtshoek van dag tot dag, gelijk bij de zon, geregeld
verandert. Hij neemt toe gedurende dagen, en even
bestendig af gedurende de volgende 1 3'| dagen; de grootste
gezigtshoek is omstreeks meer dan de kleinste; de maan
beschrijft dus ook öf een' cirkel, waarvan wij ons niet in