Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 390 —
mits wij van elders de grootle kennen, over den afstand
kunnen doen oordeelen. En bijaldien de werkelijke grootte
ons ten eenemale onbekend is, zal de verandering in schijn-
bare grootte, dat is de verandering in bovengemelden
waarnemingshoek, ons iets omtrent de wet kunnen leeren,
volgens welke in de verschillende rigtingen de afstanden
toe- of afnemen, en hieruit liet zich dan de gedaante der
wegen afleiden.
Passen wij dit nu op de hemelligchamen toe, dan mer-
ken wij al dadelijk, dat het ons bij de vaste sterren niet
het minste baat. Alle toch doen zich nooit anders dan als
lichte stippen voor, dus onder geen waarneembare hoeken.
Met zon en maan daarentegen, die wij in den vorm van
cirkelronde schijven aanschouwen, is dat niet het geval.
Vestigen wij onze aandacht op de zon, om met deze te
beginnen, op verschillende dagen van het jaar en op ver-
schillende tijden van den dag, zoo doet zij zich des morgens
en des avonds, als zij zeer nabij den horizon staat, blijkbaar
grooter voor dan 's middags; dat dit zich nu op andere
dagen even zoo vertoont en dat voorts hare schijnbare grootte
alle dagen dezelfde blijft op den middag. Daaruit zou
volgen, dat de zon 's morgens en 's avonds digter bij ons
is, dan 's middags, en dat ze voor 't overige op verschil-
lende dagen van het jaar even ver van ons afstaat, of met
andere woorden, dat hare dagelijksche beweging geen cirkel
is en hare jaarlijksche daarentegen met een' cirkel zeer
veel overeenkomst heeft. Dit besluit is echter niet te ver-
trouwen; immers wij weten van bl. 192, dat hier gezigts-
bedrog bestaat. Om zekerder te gaan, dienen wij ons niet
enkel met zien te vergenoegen, maar wij moeten de hoe-
grootheid van den hoek AOB, Fig. 50, meten, waaronder
wij de zon zien. Men heeft zulke metingen inderdaad
gedaan met toestellen, die wij hier niet kunnen beschrijven,
en daardoor is gebleken, dat het eenvoudig gezigt ons
op een' dwaalweg bragt, want men heeft nu geheel iets
anders gevonden, te weten: dat de zon 's morgens, 's mid-
dags en 's avonds inderdaad onder gelijken gezigtshoek
wordt waargenomen, maar dat die gezigtshoek in den loop
van het jaar geregeld verandert, en wel gedurende zes