Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
S9I
-- 389 -
die tusschen hen en het laken voorbij loopt, eene verduiste-
ring als die der zon veroorzaken, die voor een' ieder, naar
tijd en wijze, verschillen zal, welk verschil afhankelijk is van
de plaats, die hij in de kamer inneemt. Maar brengt iemand
eene schuif voor de tooverlantaren, zoodat hij het licht belet
op het laken te vallen, dan wordt dit voor allen tegelijk
donker, en ziedaar, wat bij de maansverduistering het geval is.
VI.
Vorm cn Afmetingen van de Loopbanen van Zon en Maan.
Grootte dier Ligchamen zelve.
Het is ons gebleken , dat de hemelligchamen zich dage-
lijks in kringen rondom de aarde schijnen te bewegen, dat
de zon en de maan bovendien eene eigene beweging ver-
toonen, ten gevolge waarvan zij, door de sterren heen, krin-
gen beschrijven in een' tegengestelden zin van dien der
dagelijksche omwenteling. De vraag is nu: welke mag wel
de juiste gedaante en grootte dier kringen zijn?
Als wij, door den schijn geleid, de plaats, waar wij ons
bevinden, als het gemeenschappelijk middelpunt denken
van een' bolvormigen sterrenhemel, dan sluit dit in, dat
wij al de sterren met zon en maan op een' zelfden afstand
van ons verwijderd aannemen. Maar 't is klaar, dat zulk
eene voorstelling ons geenszins bevredigt. Immers, 't kan
zeer wel zijn, en het tegendeel zou zelfs tot de groote
onwaarschijnlijkheden behooren, dat die afstanden onder-
ling aanmerkelijk verschillen, zoodat de rondgaande loop-
banen eene oneindige verscheidenheid van in zich zelve weèr-
keerende of zoogenaamd geslotene kromme lijnen opleveren,
en dat wij, zoo er al cirkels onder mogten voorkomen,
geenszins het middelpunt daarvan innemen. Dat wij een
paar sterren digt bij elkander waarnemen , levert toch vol-
strekt nog geen bewijs op, dat zij werkelijk in elkanders
nabijheid zich bevinden; wij zien ze alleen in bijna dezelfde
rigting, maar de eene kan len onzen opzigte een ontzagge-
lijk eind achter de andere staan. Hoe zullen wij nu het
nadere daaromtrent ontdekken? Vooreerst de hoek, waar-
onder een zelfde voorwerp zich aan ons vertoont, zal ons.