Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 388 —
dergelijke wijze als bij den vorigen omloop der maan.
De veranderingen in haar voorkomen, die een ieder reeds
ontelbare malen opgemerkt zal liebben, noemt men hare
schijngestalten. Uit al het voorgaande, laten ze zich zeer
ligt verklaren, als men maar aanneemt, dat de maan
geen eigen licht heeft, en enkel aan het licht, dat zij van
de zon ontleent en ons toezendt, gezien kan worden, en
als men voorts weet, dat de maan altijd op veel digter
afstand zich van ons bevindt dan de zon, 't geen ons la-
ter blijken zal. Immers dan is het duidelijk, dat bij nieuwe
maan, wanneer beide hemelligchamen schijnbaar in elkan-
ders nabijheid zich bevinden, de verlichte zijde der maan
geheel van ons afgewend , bij volle maan daarentegen ge-
heel naar ons toegekeerd is. In de kwartieren wordt de
maan ten onzen opzigte van ter zijde door de zon besche-
nen , en vandaar het gewijzigd aanzien, dat zij dan ver-
toont. Wanneer wijders bij nieuwe maan deze niet enkel
in 't algemeen tusschen de zon en de aarde in ligt, maar zoo,
dat zij de zonneschijf geheel of gedeeltelijk aan den waar-
nemer onttrekt, dan noemen wij dit eene zonsverdui-
stering. Het is klaar, dat het daarbij gansch niet onver-
schillig is, waar zich de waarnemer ergens op den aardbol
bevindt. Zoo is de groote zonsverduistering van den 28®"'"
Julij des loopenden jaars ten onzent niet op geheel hetzelfde
tijdstip en ook niet zoo fraai te zien geweest als bijv. te
Koningsbergen en op andere meer noordelijk gelegen plaat-
sen. Men heeft ook maansverduisteringen. Deze verschillen
in menig opzigt van de reeds genoemde. Zij vallen om-
streeks den tijd der volle maan, als deze zoo na in dezelfde
rigting met zon en aarde zich bevindt, dat zij geheel of
gedeeltelijk in de schaduw geraakt, die de aardbol achter
zich werpt. Daaruit gevoelt men reeds, dat allen die,
waar ook op aarde, eene zelfde maansverduistering aan-
schouwen, haar geheel op dezelfde wijze en op hetzelfde
oogenblik zien. Wij kunnen dit, door een zeer eenvoudig
voorbeeld, uit het dagelijksch leven ophelderen. Als de
tooverlantaren in eene donkere kamer een wit laken ver-
licht, en alle aanwezigen zóó geplaatst zijn, dat zij er 't
oog op hebben en het goed kunnen zien, dan zal iemand,