Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 386 —
met betrekking tot ons letten, maar tevens eene dagelijksche
vergelijking in 't werk stellen met de sterren , in welker
nabijheid wij haar zien. Hebben wij den eersten dag het
sterrenbeeld opgemerkt, waarin zij zich vertoont, en hare
plaats tusschen de sterren van dat beeld aangeteekend, dan
zien wij reeds den volgenden avond, dat zij op een' aan-
merkelijken afstand van die plaats verwijderd is, en wel naar
de linkerhand. Vandaar dat ze eerst een uur later haar
hoogsten stand bereikt dan die sterren, met welke ze den
vorigen dag le gelijker lijd in 't zuiden stond; reeds na
7 dagen is dat verschil zoo groot, dat, waanneer diezelfde
sterren weder in 't zuiden staan, hetgeen, zoo als wij
vroeger zagen, 4x7 of 28' eerder plaats zal hebben dan
7 dagen le voren, de maan zich pas in 't oosten ver-
toont, en eerst veel later in 't zuiden te vinden is.
In het gezegde ligt mede reeds opgesloten, dat de maan
ook ten opzigte der zon van plaats moet veranderen, en
wel zoo, dat zij, links van de zon zich bevindende, hoe
langer hoe verder van deze zich verwijdert, dat zij na eeni-
gen tijd regt tegen haar overslaat, en daarna, van de reg-
terhand af, hoe langer hoe digter bij haar moet komen.
Ook dit besluit wordt door de waarneming bevestigd. Van
den lijd af, dal zij digt bij de zon is, totdat zij er den
tweeden keer weêr digt bij komt, verloopen dag, dus
dag meer, dan voor haar terugkomen tot dezelfde ster.
Dat die tijd langer is, spreekt van zelf, daar de zon in de
27i dag insgelijks naar 't oosten verschoven is, en de
maan dus nog zooveel meer wegs moet afleggen eer zij de
zon weêr inhaalt.
Bij die verplaatsing, ten opzigte der zon, neemt men
eene merkwaardige verandering in 'l voorkomen der maan
waar; eene veranderingdie in verband blijkt te staan
met liaren stand len opzigte van de zon. Om dit be-
hoorlijk na le gaan, moeten wij beginnen haar te volgen
op een' dag, na dengenen, dien wij in den almanak opge-
geven vinden als een' dag van nieuwe maan; dan zien wij
haar 's avonds bij zonsondergang op een' kleinen afstand
links van de zon en dus in 't w^eslen. Zij gaat spoedig
na de zon onder, en vertoont zich dan sikkelvormig en