Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
t
— 385 —
den eersten avond bijv. omstreeks 7 ure opgekomen , en ^
tegen middernacht in 't zuiden het hoogst geklommen, |
dan zien wij haar de volgende avonden al later opko- ^
men en ook later haar' hoogsten stand bereiken. Soms I
is zij naauwelijks een kwartier, soms daarentegen ook wel j
om en nabij anderhalf uur achterlijk bij zon en sterren. J
Door elkander kan men het bedrag op iels minder dan
een uur stellen-, terwijl de zon, gelijk wij zagen, niet meer
dan 4 minuten verschil met de sterren oplevert. Hebben
wij voorts de maan den eersten dag in een bepaald punt
van den horizon zien opkomen, den volgenden dag reeds
zal het merkbaar zijn, dat het punt van opkomst meer
links is gelegen, en dat even zoo het punt, waar zij aan
den westkant ondergaat, reeds meer regts ligt van het punt, 1
waar zij den vorigen dag onderging. Die verschuiving neemt
van dag lot dag toe-, de tijden, waarop zij opkomt, zich '
in 't zuiden vertoont en ondergaat, komen dagelijks later.
Ook de hoogte, waarop zij zich in 't zuiden vertoont,
wordt weldra aanmerkelijk grooter, maar dit laatste duurt
niet langer dan 14 dagen. Wel blijft zij steeds later en later
opkomen en ondergaan-, maar de punten van opkomen en
ondergaan naderen weder tot het zuiden, en tegelijk ver-
loont zij zich in 't zuiden weder minder hoog; na i
dag eindelijk is zij genoegzaam in dezelfde punten terug-
gekomen, waar wij haar eerst gezien hebben. De verande-
ringen in plaats zijn dus van gelijken aard, als bij de zon
maar in stede van 3G5J dagen heeft de maan maar Q7| dag
noodig, om ze alle te doorloopen. Zij volgt eene spi-
raal, die uit 14 opklimmende windingen en uit 14 afda-
lende bestaat. Het beschrijven van die spiraal door de maan
kunnen wij ons dus ook voorstellen als te zijn zamengesteld
uit eene dagelijksche omwenteling, waarin zij met den ge-
heelen sterrenhemel deelt, en uit eene gedurige verande-
ring van plaats aan dien sterrenhemel, ook in tegengestelden
7-in, van 't westen naar 't oosten, volgens eene loopbaan,
die, bijkans evenveel als de zonsweg, schuins staat ten op-
zigte van de kringen, waarin de sterren haren dageiijkschen
loop volbrengen. De juistheid van dit besluit blijkt duide-
lijk , wanneer wij niet enkel in 't algemeen op haren stand
m