Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 384 —
len aanzien der vaste sterren verplaatst. Deze laatste volgt
het beloop van een' in zich zeiven terugkeerenden kring,
den zonsweg, in een' tegengestelden zin van dien der eerst-
gemelde draaijende beweging, en besteedt daartoe een jaar,
weshalve ze den naam van de jaarlijksche beweging ver-
kregen heeft. De winter wordt dan ook gerekend aan le
vangen, als de zon haar' laagsten dagkring SRs door-
loopt; de lente, als zij den dagkring OS^W^' aflegt;
de zomer, zoodra ze den hoogsten kring H'S'RV bereikt
heeft; eindelijk de herfst, als hare plaats wederom ergens
in den kring valt.
V.
De Beweging en Schijngestalten der Maan-Eclipsen.
Hetgeen met de zon plaats heeft, wordt ook waargeno-
men aan de maan , en het naauwkeurig letten op de ver-
plaatsingen, die deze ondergaat, is zeer dienstig om onze
voorstelling van de beweging der zon nog meer duidelijk-
heid bij te zetten. Met het ongewapend oog toch kunnen
wij de zon en de sterren niet tegelijk zien ; redenering brengt
ons tot het besluit, dat de zon tot deze of gene ster na-
dert, of zich daarvan verwijdert. Bij de maan daarentegen
hebben wij het voordeel, dat zij zich tegelijk met de ster-
ren aan onzen blik vertoont; wij kunnen dus regtstreeks
waarnemen, of haar stand, ten opzigte van de sterren,
verandering ondergaat, en welke de rigting en mate dier
verplaatsing is. Ook is hare beweging, gelijk blijken zal,
aan korter tijdvak gebonden, en stelt ons derhalve in staat
ze spoediger te leeren kennen. Wij willen die beweging
eerst in 't algemeen, met opzigt tot ons, daarna meer bij-
zonder in hare verhouding tot die der sterren, en eindelijk
in haar verband met die der zon, nagaan.
De maan komt, even als de sterren, op aan de oostzijde
van den horizon; zij rijst in 't zuiden het hoogst en daalt
weder aan de westzijde naar beneden; ze deelt dus in de
dagelijksche beweging van de sterren en de zon. Maar
reeds binnen een paar dagen kunnen wij duidelijk ontwa-
ren, dat zij bovendien eene eigene beweging heeft. Is zij