Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 383 —
van S naar a. Even zoo vei-plaatst zij zich, gedurende eene
volgende maand, van a, verder schuins-links en digter bij
de pool naar b, en zoo voortgaande-, omstreeks 21 Junij
zal zij zooveel links en tevens zooveel meer nabij de pool
gekomen zijn, dat zij zich van de ster S verwijderd heeft
tot in een punt s', dat juist tegenover S aan den hemel staat,
en tevens zooveel meer naar de pool toe, als door den
boog ss' wordt aangewezen. In de volgende zes maanden
gaat de dagelijksche verschuiving naar de linkerhand voort,
maar zij is nu vergezeld van een wijken van de pool P; na
verloop van nog eene maand staat de zon in een punt e,
en weèr eene maand later in J, en zoo voorts, totdat zij
eindelijk omstreeks 91 December weder bij S staat. De zon
heeft dus door de sterren heen in een jaar tijds een' kring
afgelegd, die door SO^'W wordt aangewezen, en een'
schuinschen stand heeft ten opzigte van de dagkringen der
sterren. Deze kring draagt den naam van zonsweg; hare
plaats aan den sterrenhemel wordt aangewezen door een
aantal sterrenbeelden, door welke die kring heen loopt, en
tot welke de vroeger opgenoemde beelden de Ram, Ae Stier,
de Tweelingen en de Leeuw behooren.
De schuinsche stand van dien zonsweg heeft voor ons
aardbewoners hoogst gewigtige gevolgen. Het is uit hoof-
de daarvan, dat de tijd, gedurende welken de zon bo-
ven den horizon is, van December lot Junij toeneemt. Met
dien längeren duur van den dag neemt de verwarmende
werking der zon insgelijks toe, en dat om twee redenen,
zoowel omdat de verwarming langer duurt, als omdat de
zon meer warmte geeft, naar mate zij hooger aan den hemel
staat, en hare stralen dus meer loodregt op ons worden
afgezonden. Die eigen beweging der zon in een' kring, op
welks vlak de as des hemels helt, is dus blijkbaar de oor-
zaak van de vier jaargetijden, winter, herfst, zomer en lente.
Gelijk uit het voorgaande reeds gebleken is, pleegt men dui-
delijkheidshalve de schijnbare spiraalvormige beweging der
zon om de aarde zich als zamengesteld te denken uit twee
eenvoudiger bewegingen. De eene is de gewone dagelijksche
omwentelende beweging, die de zon met den ganschen ster-
renhemel gemeen heeft-, de andere is die, waardoor zij zich