Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 381 -
dat even zoo des avonds het ondergaan niet precies in 't
westen 5 maar ook in een punt R plaats heeft, dat ten zui-
den van het westen ligt. Onthouden wij nu, welke aard-
sche voorwerpen juist in de rigtingen van A naar H en naar
R gelegen zijn , en onderzoeken wij eenige weken later eens
weder waar de zon opkomt en ondergaat, dan zullen wij vin-
den, dat het nu plaats heeft in twee punten, die digter hij het
oosten en het westen liggen. Omstreeks den Maart zal
de zon juist in 't oosten opkomen, en precies in 't westen
ondergaan-, na dien dag zien wij het opkomen ten noorden
van het oosten, en het ondergaan ten noorden van het
westen plaats vinden, en van heide zijden naderen die
punten het noorden gedurig meer tot op den längsten
dag, dat is omstreeks 21 Junij, alswanneer de bedoelde
punten , nu H' en R', juist zooveel ten noorden van het
oosten en het westen liggen, als ze op den kortsten dag
in H en R ten zuiden daarvan waren. Na dien dag ge-
schiedt hunne verplaatsing in tegengestelden iin; ze nade-
ren weder tot het oosten en westen-, omstreeks 21 Septem-
ber gaat de zon op nieuws juist in 't oosten en 't westen
op en onder-, daarna komen ze weder ten zuiden van het
oosten en westen te liggen, verwijderen zich daarvan al
meer en meer, en bevinden zich eindelijk omstreeks 21 De-
cember terug op dezelfde plaatsen H en R, waar ze juist
een jaar vroeger waren. Herinneren wij ons nu, dat deze
trapswijze verschuiving gepaard gaat met het steeds hooger
rijzen der zon op den middag, gedurende de maanden van
December tot Junij, en met het al minder en minder hoog rij-
zen in de volgende zes maanden, dan zien wij in, dat de
dagelijksche weg der zon, in de verschillende maanden van
het jaar, verschillend is, en dat wij ons die verschillende
wegen op deze wijze moeten voorstellen. Tusschen de beide
uiterste bogen of kringen IISR^ en H'S'RV van Decem-
ber en Junij moeten wij ons al de andere 'kringen den-
ken, die den weg der zon op alle andere dagen van het
jaar voorstellen. Die kringen loopen intusschen niet in zich
zelve terug', van den eenen kring gaat de zon op den vol-
genden over, en dit geschiedt niet met een' sprong, maar
allengs-, ze maken dus eigenlijk te zamen eene enkele