Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 20 —
dergelijk een balkvormig ligchaam den inhoud te bere-
kenen in cubieke eenheden, men enkel de getallen die
de lengte, breedte en dikte in de eenheid van maat uit-
drukken, met elkander vermenigvuldigen moet. De meet-
kunde stelt ons daarenboven in staat om, ook wanneer
de, ligchamen zoodanige verdeeling in geheele of gedeel-
ten van dobbelsteenen bezwaarlijk of in 't geheel niet toe-
laten, toch hunnen inhoud te bepalen. Zoo kan men bijv.
van een' biljartbal en een' knikker, beiden van matige
grootte, aantoonen, dat de eerste nagenoeg twintigmaal
zooveel inhoud'heeft als de laatste, en, als de biljartbal
juist 5 duimen middellijn heeft, bijna 65| cubieke duimen
moet bevatten.
Ten opzigte van de hoegrootheid, is er een verbazend ver-
schil tusschen de ligchamen die de natuur ons aanbiedt,
gelijk reeds blijkt, als wij de geheele aarde met de enkele
ligchamen die zich daarop bevinden vergelijken. En toch
is de aarde geenszins het grootste ons bekende ligcliaam,
maar zij wordt door de zon , zoo als wij later zullen zien,
ver overtroffen. De ligchamen die zich op de aarde bevinden,
verschillen te dezen aanzien onderling nog weder evenveel,
als de grootste hunner, met de geheele aarde vergeleken. Hoe-
veel ruimte beslaat niet een volwassen olifant in vergelij-
king van een' mensch, een mensch weder met betrekking
tot een vlieg; en toch is de vlieg nog een ontzaggelijk groot
dier, wanneer wij ze vergelijken met de kleinste bekende
onder de zoogenaamde afgietseldiertjes, die men niet dan
met een sterk vergrootglas kan ontwaren.
Wij leeren hieruit, dat de woorden groot en Idein alleen
eene betrekkelijk bepaalde beteekenis hebben; dat wij een
ligchaam niet groot kunnen noemen, dan wanneer wij het
met een ander vergelijken. Eene molhoop is voor een mier
een tamelijk hooge berg. Willen wij ons dus duidelijk uit-
drukken, zoo moeten wij bij 't spreken over het groot zijn
van voorwerpen, altijd dat andere voorwerp er bij noemen,
waarmede wij ze vergelijken; of degene tot wien wij spre-
ken, moest reeds te voren weten, welk ander voorwerp
wij bedoelen, zoo als dat in 't dagelijksch leven meestal het
geval is.