Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 378 —
van den hoogsten stand in 't zuiden en van den laagsten
stand in 't noorden, als tusschen dezen laagsten en den
volgenden hoogsten stand, 't geen niet het geval zijn zou,
indien de beweging nu eens sneller, dan weder langzamer
ware.
IV.
Nadere Beschouwing van de Beweging der Zon.
Wij spraken in 't voorgaande Hoofdstuk opzettelijk van
de sterren, en niet van de zon, omdat bij deze niet geheel
en al hetzelfde plaats heeft als bij de sterren. Doen wij bij
de zon dergelijke waarnemingen, als wij 't laatst vermeld
hebben, en teekenen wij ook op achtervolgende dagen de
oogenblikken aan, waarop het eerste stipje van den zonne-
tand zigtbaar wordt langs den kant van den muur, dan
bespeuren wij, dat de tusschentijd tusschen twee zonsver-
schijningen wel den eenen dag bijna juist even groot is als
den anderen, maar dat die tijd verschilt bij dien, welken
wij bij de sterren vonden; immers 't zijn nu 24 uren, met
op zijn hoogst eene afwijking van eene halve minuut, en
dus omstreeks 4 minuten meer dan voor de sterren. Dat
die tijd om en nabij de 24 uren bedraagt, is geen toeval,
maar moet daaraan worden toegeschreven, dat de uurwer-
ken met opzet zoo gemaakt en geregeld worden, dat zij
24 uren verloop aanwijzen voor den tijd, dien de zon door
elkander noodig heeft, om telkens wederom haar hoogste
standpunt te bereiken. Men zou een uurwerk ook wel
zoo kunnen regelen, dat de uurwijzer precies tweemaal rond-
liep in den tijd, waarin de vaste sterren haren kring af-
leggen. En deed men dit, dan zou men vinden, dat op
zulk een uurwerk de zon 24 uren en circa 4 minuten noo-
dig had; met de zon vergeleken, zou men dan zeggen,
dat het uurwerk dagelijks 4' vóór ging. Die regeling
is echter minder gebruikelijk, en het is de gemiddelde
tijd, die er verloopt tusschen twee opvolgende middagstan-
den der zon, dien wij een etmaal, of wel, ofschoon minder
gepast, een' dag noemen; een deel van een etmaal is
dan een uur, en een 60®"^ deel van een uur eene minuut,
terwijl de minuut weder in GO seconden verdeeld wordt.