Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 377 —
heel af te leggen, daarvan kan een leder zich zeer gemak-
kelijk vrij naauwkeurig overtuigen, mits hij maar van een
goed uurwerk voorzien zij. Kiezen wij daartoe des avonds
eene bepaalde standplaats, waar wij een' regtop staanden
muur voor ons hebben, welks regterkant wij langs kun-
nen zien. Bij helderen hemel zullen dan van achter dien
kant de zich regts bewegende sterren te voorschijn komen.
Vestigen wij nu bepaald de aandacht op een paar ons be-
kende sterren en teekenen wij naauwkeurig het juiste
oogenblik aan, waarop elke van beiden van achter den
nmur zigtbaar wordt. Herhalen wij dit den volgenden
avond, zoo naauwkeurig mogelijk van dezelfde standplaats,
dan vinden wij den tijd, die er tusschen de twee ver-
schijningen van de eene ster verloopen is, juist gelijk aan
dien voor iedere andere ster. Wij zien bijv. op den eer-
sten dag de eene ster verschijnen ten 7" 35', de tweede ten
8" 13'; op den tweeden dag zien wij de eerste ster ten 7" 31',
de tweede ten 8" 9'. Nu zijn er van 7" 35' op den eersten,
lot 7" 31' op den tweeden dag 23" 5ü' verloopen, en van
8" 13' op den eersten tot 8" 9' op den tweeden ingelijks
juist 23" 56'. Op hoeveel verschillende vaste sterren wij
de waarneming gedaan hadden, de uitkomst blijkt voor alle
dezelfde te zijn. Wij mogen het derhalve voor bewezen hou-
den, dat ze alle in gelijken tijd haar' dageiijkschen omloop
volbrengen. Zetten wij die waarneming ook op volgende da-
gen voort, dan doet zich nog iets belangrijks op, te welen:
dal elke ster telkens evenveel tijd gebruikt om op hetzelfde
punt terug te komen; dat de omloop dus op den duur even
lang blijft. Ook eiken volgenden dag vinden wij denzelf-
den tusschentijd van juist 23" 56'. 'l Is daarbij geheel on-
verschillig, in welk punt van haren omloop wij de ster da-
gelijks waarnemen, hetzij in 'l oosten, kort na hare oj)-
komst, of in 't zuiden, digt bij haar' hoogst en stand, of
wel tegen den ondergang. Uit andere waarnemingen, die
wij hier niel beschrijven kunnen, is 't bovendien geble-
ken, dat de beweging der sterren eenparig is, dat is, dat
ieder even groot gedeelte der loopbaan in evenveel tijd
wordt afgelegd. Zoo verloopt er bijv. voor de sterren, die
niet ondergaan, juist evenveel tijd tusschen het bereiken