Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 396 —
lergaat, en op den middag naauwkeurig 12 ure aanwijst.
Neemt nu een reiziger, die naar Amerika vertrekt, zulk
een uurwerk mede, zorgt hij op de reis, dat het behoorlijk
blijve gaan en niet stilsta, maar onthoudt hij zich van het
immer te verzetten, dan zal hij bij zijne aankomst bespeu-
ren, dat bij zonsopkomst zijn uurwerk niet omstreeks 6 ure,
maar bijv. 10 ure nagenoeg aanwijst, en dat verschil zal des
te grooter worden, naar mate hij zich meer westelijk op
begeeft. Hij zal dan zien, dat tegen den lijd, waarop de zon
haar' hoogsten stand bereikt, het uurwerk reeds des avonds
5, 0 of nog meer uren aanwijst, en als de zon ondergaat,
zal het op zijn uurwerk reeds 11 ure, middernacht of nog
later zijn. Hij neemt dus de zon werkelijk waar, op een'
tijd waarop hij zeker weet, dat ze in Europa reeds uren
lang is ondergegaan; hij ziet haar dus een gedeelte van
haren loop volbrengen, dat in Europa niet zigtbaar is.
Nog al meer westwaarts zal er zich dus eindelijk eene plaats
moeten opdoen, waar de zon juist gedurende den geheelen
tijd dat zij aan ons oog onttogen is, gezien wordt. Wij
moeten ons dus al de kringen, die de loopbaan van zon
en sterren aanwijzen, inderdaad zoo voorstellen, dat ze on-
der den horizon doorloopen, en alzoo in zich zelve lerug-
keeren; ook de as, om welke de dagelijksche omwenteling
geschiedt, en de cirkelboog, dien wij ons van het zuiden
over ons hoofd heen naar het noorden voorgesteld hebben,
dienen wij in onze gedachten onder den horizon te verlengen,
en wij verkrijgen dan eene figuur, als hiernevens (Fig. 119)
is afgebeeld. De waarneming van de
dagelijksche beweging der sterren
heeft ons reeds geleerd, dat het daar-
mede gesteld is, alsof alle aan elk-
ander verbonden waren. Is dit zoo,
jTydan besteedt elke ster evenveel tijd,
om haren kring geheel te doorloopen;
dan bewegen zich de sterren, die
een' grooteren kring te doorloopen
hebben, juist zooveel spoediger, als
haar kring grooter is. En inderdaad, dat zij alle even-
veel tijd besteden om hare grooler of kleiner kringen ge-