Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 372
bare beweging zich dag aan dag geregeld herhaalt, wordt
zij met den naam van de dagelijksche iewe^m^ bestempeld.
II.
Sterrenbeelden.
Om met de bewegingen der sterren nader bekend te
worden, is het noodig te weten hoe de sterren van elk-
ander te onderscheiden zijn, en hoe men dus in lateren tijd
bij het zien van eene ster kan te weten komen of het de-
zelfde ster is, die men vroeger had waargenomen. Het mid-
del daartoe is zeer eenvoudig-, het bestaat in de zooge-
naamde sterrenheelden.
Wanneer men den sterrenhemel gadeslaat, ziet men, dat
in 't algemeen de sterren zich als zeer kleine lichtende
punten voordoen, die geene meetbare grootte en dus ook
geen' bepaalden vorm hebben. Ook in kleur verschillen ze
meestal niet-, maar toch vertoonen ze een zeer in 't oog
vallend onderscheid, namelijk in helderheid van licht. Ter-
wijl vele niet dan moeijelijk en alleen bij gunstig weder ge-
zien worden, zijn er andere, die zich zeer duidelijk laten
waarnemen. Deze Avorden 's avonds na zonsondergang reeds
zigtbaar, wanneer het nog niet donker genoeg is, om de
andere te kunnen onderscheiden, waarvan er naar de mate
van hare helderheid meer en meer te voorschijn komen, zoo-
dat het aantal der zigtbare sterren, dat in den beginne zeer
gering was, nu spoedig aanmerkelijk toeneemt-, want er zijn
maar weinige zeer schitterende sterren, daarentegen vele die
minder licht van zich geven. Bepaalt men nu de aandacht
tot de meer heldere sterren, dan merkt men op, dat som-
mige daarvan niet ver van elkander af staan, en daarente-
gen door eene groote tusschenruimte van de andere heldere
gescheiden zijn. Wanneer wij nu die digt bijeen staande in
onze gedachten door regte lijnen verbinden, dan ontstaat
daaruit eene figuur van eene bepaalde gedaante. Het zijn
deze figuren, die ons onder de overgroote menigte le regt
brengen en dienen, om eene bepaalde ster te vinden en te
herkennen. Wanneer men toch de verplaatsing niet alleen