Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 371 —
afgelegd heeft. Hetzelfde geldt van alle sterren, die wij
hij het aanbreken des dageraads uit het oog verliezen. De
voorstelling dringt zich dus als 't ware aan ons op, van
een uitspansel, dat ook bij dag met sterren overdekt is,
die even als en tegelijk met de zon zich bewegen, sommige
regts, andere links daarvan geplaatst, sommige hooger dan
de zon, andere lager. Die, welke zich regts van de zon
bevinden, zijn dan blijkbaar reeds verder in hare baan
gevorderd dan de zon-, ze gaan dus eer dan deze onder,
en 't spreekt van zelf, dat wij ze 's avonds niet meer aan
den hemel vinden. Die links van de zon staan volgen
haar, gaan derhalve eerst eenigen tijd later onder, en wij
moeten ze dus in het westen nog zien, als het donker ge-
worden is, en des te langer blijven zien, hoe meer ze zich
oostwaarts van de zon bevinden.
Het is mogelijk geweest, om al die gissingen, door ze
regtstreeks aan de ervaring te toetsen, lot zekerheid te
brengen. Het middel daartoe bestaat enkel in 't gebruik
van groote verrekijkers, door welke men ook bij dag de
sterren inderdaad ziet, zoodat men zich heeft kunnen over-
tuigen, dat de bewegingen werkelijk zoo plaats vinden als
men ze zich dacht.
Onder de sterren die opkomen noch ondergaan, treft
men er aan, die al in zeer kleine kringen en daarbij zeer
langzaam, zich bewegen. Ja men vindt er eene, die zelfs,
al bespieden wij haar uren lang, geheel en al stil schijnt
te staan. Zij staat regt boven het noordpunt van den ho-
rizon, dus ergens op den denkbeeidigen cirkelboog TIN
(Fig. 116), en draagt den bijzonderen naam van poolster,
naar de door haar ingen9men plaats, die de pool des he-
mels geheeten wordt om de navolgende reden. Denken wij
ons door het oog van den waarnemer A en dat punt P eene
regte lijn, dan gaat die regte lijn midden door al de loop-
kringen der sterren. Alle sterren nevens de zon bewegen
zich om punten op die lijn gelegen, die daarom de as des
hemels genoemd wordt; immers 't is alsof zon en sterren
aan het oppervlak van een' bol bevestigd waren, in welks
middelpunt de waarnemer zich bevindt, en die om gezegde
lijn als om eene spil of as omwentelt. Daar deze schijn-