Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 370 —
dat meer regts gelegen is dan het punt van opkomen eener
andere, niet zoo hoog rijst als deze, en aan de westzijde
ondergaat in een punt dat links van het punt van onder-
gang der andere ligt. Dat is nu juist wat het geval zijn
moet, als de wegen door de heide sterren doorgeloopen
voorgesteld kunnen worden als twee even schuins geplaatste
bogen hsr en h's'r', die in h en r, h' en r' op den gezigt-
einder rusten. Uit A gezien, ligt het punt h' regts van h,
het punt s' ligt onder het punt s, en beiden bevinden
zich juist boven dat punt Z van den horizon, 't welk wij
het zuiden noemen. Gaan wij in onze verbeelding van dat
zuidpunt regt naar boven door de punten s' en dan ko-
men wij in een punt T aan den hemel, dat vlak boven
ons hoofd ligt, en hetwelk men het toppunt noemt. Dalen
wij voorts aan de tegenovergestelde zijde, zonder af le wij-
ken, weder regt naar beneden, dan komen wij ten laatste
in hel punt N van den horizon, dal juist tegenover het
zuiden gelegen is, en het noorden genoemd wordt.
Als wij gedurende den nacht sterren volgen, die des
avonds in het westen vrij hoog boven den horizon staan,
dan zullen wij weldra merken, dal niel alle opkomen en
ondergaan. Wij zien zulk eene ster (Fig. 116) bij t een'
Fig. 116. tijd lang dalen, lol het noorden na-
deren, boven het noorden bij p
evenwijdig'aan den horizon voort-
gaan, en eenigen lijd later weder
schuins naar boven oprijzen. Maar
verder dan bijv. tot aan een zeker
punt q kunnen wij haar niet na-
gaan, want de opkomende zon maakt ze voor ons on-
zigtbaar. Den volgenden avond vinden wij intusschen de
ster weder in t, of op de eigen plaats, waar zij den vori-
gen avond om denzelfden tijd stond. Zij moet zich dus ge-
durende den dag van q naar t bewogen hebben, en daar
wij de sterren alle van de linker- naar de regterhand zien
gaan, worden wij er natuurlijk toe gebragt het er voor te
houden, dat die ster niet van q over p naar t teruggekeerd
is, maar dat zij hel verder gedeelte qst van een' gesloten'
kring pqst doorgeloopen, en dien weg gedurende den dag