Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 19 —
gen wij, (lat zij gelijken inhoud hebben, ook wel dat zij
even groot zijn. Dit laatste beteekent echter somtijds al-
leen, dat zij even lang zijn. Twee menschen kunnen even
lang zijn, en daarbij niet even dik, alsdan noemt men ze
even groot, en toch is het zeker, dat hunne ligchamen niet
evenveel ruimte innemen. Wij houden ons aan de zoo
even opgegeven meer algemeene beteekenis, en zeggen:
een ligchaam is driemaal zoo groot als een ander, wan-
neer het driemaal zooveel ruimte inneemt, of, wat hetzelf-
de beduidt, driemaal zooveel uitgebreidheid heeft. Zoo
heeft een groote dobbelsteen die twee duimen hoog, breed
en dik is, achtmaal zooveel uitgebreidheid als een van ge-
wone grootte, van één' duim namelijk. Immers als ik hem
midden doorzaagde, zou ik twee stukken van de gewone
breedte verkrijgen, maar die nog de dubbele hoogte en
dikte behielden. En als ik elk van de twee stukken wederom
ter helft afnam, zou ik er vier hebben, waarvan nu nog maar
alleen de dikte het dubbel bedroeg van een' duim. Eene der-
de doorzaging zou mij eindelijk acht dobbelsteenen van de
gewone grootte geven. Die ruimte welke een duims-dobbel-
steen inneemt, plagt men ook wel een' cubieken duim te hee-
ten, waarmede men nimmer een' zoogenaamden vierkanten
duim of duim in 't vierkant mag verwarren. Men zou dus
de uitgebreidheid van den grooten dobbelsteen ook kunnen
aanduiden met te zeggen : twee duim in 't cubiek, en daarvan
kunnen opgeven, dat zij gelijkstaat met acht cubieke dui-
men. Men zal nu tevens begrijpen wat eene cubieke palm of
el beteekent-, dat eene kubieke palm duizend cubieke duimen,
en eene cubieke el duizend cubieke palmen of duizendmaal
duizend, dat is, een millioen cubieke duimen bevat.
Een liniaaltje voor evenwijdige lijnen van één' duimbreed-
te en dikte, en vijf palmen lengte, zal blijkbaar vijftig cu-
bieke duimen uitgebreidheid of inhoud hebben.
Denken wij ons nu eens eene plank, die twee duimen
dik, twee palmen breed en drie ellen lang is, zoo zal de
mogelijke verdeeling in duims-dobbelsteenen ons gemak-
kelijk overtuigen, dat de ruimte die zij beslaat 2 X 20 X
300 = 12000 cubieke duimen houdt, of 12 cubieke ellen.
In 't algemeen leert ons de meetkunde, dat om van
a*