Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
308 —
na den middag langer hebben moeten worden. Aangezien
nu dit rijzen en dalen der zon van eene gedurige verplaatsing
regis vergezeld gaat, zoo volgt daaruit dat de zon vóór den
middag schuins-regts naar boven klimt, en na den middag
schuins-regts naar beneden daalt-, middag is dan het oogen-
blik van den dag, waarop zij haren hoogsten stand bereikt.
Teekenen wij nu den tijd van zonsopkomst aan, voorts dien
waarop zij den hoogsten stand bereikt, kenbaar aan de al-
lerkortste schaduwen, eindelijk nog dien van zonsonder-
gang, zoo bevinden wij, dat er juist evenveel uren en mi-
nuten verloopen zijn van zonsopkomst tot middag als van
middag tot zonsondergang. Eindelijk is 't bekend, dat
de zon altijd opkomt aan een' bepaalden kant, de oostzijde
van den horizon; dat zij 's middags om 12 ure altijd vlak
boven een bepaald punt van den gezigteinder, het zooge-
noemde zuiden staat, en dat zij eveneens des avonds altijd
aan de westzijde van den horizon ondergaat. Wij zeggen
daarom in 't algemeen, de zon komt op in het oosten, be-
reikt haar hoogsten stand in het zuiden, en gaat onder in
het westen. De weg, dien wij de zon zien beschrijven, is
dus een boog, en wij kunnen dien weg afbeelden zoo als
in Fig. 114 geschied is, waar NOZW den gezigteinder van
Fig. 114. een' waarnemer A voorstelt, HSR
den zonsweg, H het punt waar de zon
opkomt, S haar' hoogsten stand en R
het punt waar zij oiTdergaat.
Wat wij bij dag aan dezonzïen,
datzelfde kunnen wij 's avonds, na-
dat zij ondergegaan is, mits de lucht niet betrokken
zij, aan de sterren waarnemen. Op 't eerste gezigt schij-
nen die alle stil te staan; maar blijven wij er eeni-
gen tijd op luren en vergelijken wij haren stand met
voorwerpen op de aarde, dan bespeuren wij, dat de sterren
ook eene verplaatsing ondergaan, en wel eene verplaatsing
van denzelfden aard als de zon. Sterren die in 't oos-
ten staan, zien wij schuins-regts naar boven rijzen, ster-
ren in 't zuiden bewegen zich evenwijdig aan den hori-
zon, andere in 't westen dalen weder schuins-regts naar
beneden. Ook valt weldra in 't oog, dat enkel aan den
O H