Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
ELFDE AFDEELING.
de steruemiemel.
L
Schijnbare Dagelijksche Beweging.
Na de aarde met haren dampkring en bewoners beschouwd
te hebben, willen wij ons ten slotte nog bezig houden met
de zoogenoemde hemelligchamen, zon, maan en sterren.
Wij beginnen met de zon, die zich als het grootste van al die
ligchamen vertoont en zeker voor ons het belangrijkste is.
Als wij er te eeniger tijd den blik heenwenden, en daarbij
tevens letten op 't een of ander aardsch voorwerp in 't ver-
schiet, dat er zich juist onder bevindt, dan kunnen wij al
spoedig aan dat voorwerp merken, dat de zon zich schijn-
baar beweegt, en wel van de linker- naar de regterhand.
Vestigen wij de aandacht op de schaduwen, die de ligcha-
men op aarde bij zonneschijn achter zich werpen, dan lee-
ren deze ons hetzelfde. Maken wij toch op den grond een
teeken, bij het uiteinde der schaduw van een' regtop staan-
den paal bijv., dan zullen eenige weinige minuten voldoende
zijn om ons aan de draaijende beweging dier schaduw te
doen zien, dat de zon zich regts verplaatst heeft.
Verder merken wij dagelijks op, dat de zon niet altijd
even hoog staat; zoo lang het nog morgen is, of vóór 12
ure, blijft zij steeds klimmende, na 12 ure daarentegen
daalt zij al meer en meer. Ook dit kunnen de schaduwen
bevestigen, als wij niet enkel op derzelver rigtingen, maar
ook op de lengten letten. Een ieder weet, dat de schaduwen,
als de zon hoog staat, kort, 's morgens en 's avonds daar-
entegen veel langer zijn, bij gevolg vóór den middag korter,